ECLI:NL:RBZWB:2026:899

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
02-256300-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 77a SrArt. 77c SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor medeplegen ontploffing met vuurwerkbom in woning

Op 9 mei 2024 heeft verdachte samen met anderen een ontploffing veroorzaakt in een woning door een vuurwerkbom naar binnen te gooien, wat leidde tot brand en forse schade. De rechtbank sprak verdachte vrij van het bestanddeel levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, omdat bewoners niet thuis waren en omwonenden zich konden verwijderen.

Verdachte was ten tijde van het feit 18 jaar en de rechtbank paste het adolescentenstrafrecht toe vanwege zijn kwetsbare persoonlijkheid, waaronder ADHD en middelengebruik. Ondanks positieve ontwikkelingen achtte de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie passend, deels voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, behandeling en locatieverbod.

De benadeelde partij vorderde €4.000 aan immateriële schade wegens psychisch leed door de ontploffing en brand, wat de rechtbank toewijsde met wettelijke rente vanaf de datum van het delict. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk samen met mededaders. De rechtbank legde toezicht op aan Stichting Jeugdbescherming Brabant en bepaalde dat de voorarresttijd in mindering wordt gebracht op de onvoorwaardelijke straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 7 maanden jeugddetentie, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, en betaling van €4.000 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/256300-24
vonnis van de meervoudige kamer van 12 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres] ,
raadsman mr. C.J.M. Jansen, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 29 januari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 mei 2024 samen met anderen een ontploffing heeft veroorzaakt in een woning door een vuurwerkbom naar binnen te gooien.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Naast gemeen gevaar voor goederen was door de ontploffing ook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor bewoners van omliggende woningen te duchten. Hij baseert zich daarbij op de aangifte, de bekennende verklaring van verdachte en de medeverdachten, het forensisch onderzoek van de politie en de camerabeelden.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen vanwege de bekennende verklaring van verdachte, maar stelt dat er geen sprake was van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Partiële vrijspraak bestanddeel levensgevaar/zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat er veel gevaar uitgaat van een vuurwerkbom die bestaat uit zwaar illegaal vuurwerk met daaraan vastgemaakt een fles met brandversnellende vloeistof. In algemene zin is de conclusie dan ook gerechtvaardigd dat het tot ontploffing brengen van een dergelijke vuurwerkbom in een woning gevaarlijk is voor goederen en mensen die zich in de directe omgeving van de ontploffing bevinden.
De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord, is of door de ontploffing en de daaruit ontstane brand in dit specifieke geval en onder de onderhavige feiten en omstandigheden, naast gevaar voor goederen, ook levensgevaar of gevaar voor lichamelijk letsel voor een ander te duchten was zoals bedoeld in artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Zodanig gevaar kan aangenomen worden als uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was.
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier volgt dat de bewoners van de woning waarin de ontploffing heeft plaatsgevonden en waar vervolgens brand heeft gewoed, zelf niet thuis waren. Ook is niet gebleken dat er zich tijdens de ontploffing mensen op straat of nabij de woning hebben bevonden die door de ontploffing rechtstreeks in gevaar zijn geweest. Uit het dossier volgt wel dat de ontploffing tot brand heeft geleid en er in de panden naast en in de nabijheid van de woning waar de ontploffing plaatsvond ten tijde van het incident mensen aanwezig waren. Dit op zichzelf is echter onvoldoende om (levens)gevaar voor personen te kunnen aannemen. Niet is immers gebleken dat de brand zich zodanig snel heeft ontwikkeld dat omwonenden zich daardoor niet meer in veiligheid konden stellen. Integendeel, uit de camerabeelden volgt dat de ontploffing met een harde knal gepaard is gegaan, waarna de omwonenden hun huis snel hebben kunnen verlaten.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank de conclusie niet die in het proces-verbaal forensische opsporing wordt getrokken en zal zij verdachte vrijspreken van de bestanddelen ‘te duchten levensgevaar’ en ‘gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen’.
Bewezenverklaring
Aangezien verdachte ten aanzien van het feit voor het overige een bekennende verklaring heeft afgelegd en ten aanzien hiervan geen vrijspraak is gevraagd, zal de rechtbank alleen de bewijsmiddelen benoemen waarop zij haar oordeel baseert:
  • het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt in de wettelijke vorm door de politie Zeeland-West Brabant, opgenomen op pagina 76-77 van het eindproces-verbaal met nummer 2024116173/ZB4R024058, genummerd 1 t/m 288;
  • het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning ( [adres] ), opgenomen op pagina’s 274-277 van voornoemd eindproces-verbaal;
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2026.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 9 mei 2024 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door
- een explosief aan te steken,
- een tegel door de ruit van de woning aan [adres] te gooien en
- dat explosief in de woning door de kapotte ruit te gooien,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en inboedel van die woning, te duchten was.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie ziet geen aanleiding voor toepassing van het adolescentenstrafrecht en vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaar met de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich allereerst op het standpunt dat het adolescentenstrafrecht - anders dan de reclassering heeft geconcludeerd – wel moet worden toegepast. Volgens de verdediging zijn er overwegend indicaties die hiervoor pleiten, te weten dat bij verdachte sprake is van beperkte handelingsvaardigheden, hij jonger functioneert dan zijn kalenderleeftijd en bovendien pedagogisch beïnvloedbaar is. De verdediging heeft ter onderbouwing van dit standpunt ter zitting een rapportage van [kliniek] ingediend en de rapportage van Sterk Huis waarin verslag wordt gedaan van de Multi Systeem Therapie behandeling, (hierna: MST) die verdachte van januari 2024 tot 15 mei 2024 vrijwillig heeft ondergaan.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing in een woning. Verdachte was één van de uitvoerders. Hij is naar de woning toegegaan en heeft samen met een mededader een ruit vernield en een vuurwerkbom de woning ingegooid. Door de kracht van de explosie en de daaropvolgende brand is forse schade ontstaan op de benedenverdieping van de woning. Gelet op de aard en omvang hiervan, sluit de rechtbank niet uit dat het heel anders was afgelopen wanneer de bewoners thuis waren geweest.
Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft vaak tot doel om personen te intimideren. Het is een groot en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke feiten raken niet alleen aan de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank acht deze vorm van brandstichting een zeer ernstig feit. Niet alleen vanwege de schade die wordt aangericht aan en in de woning waarbij er spullen onherstelbaar en onvervangbaar worden vernield, maar ook doordat het gevoel van veiligheid van de bewoners blijvend en in vergaande mate wordt aangetast, zoals [aangeefster] in haar slachtoffer-verklaring ter terechtzitting zeer treffend heeft verwoord. Zij en haar partner konden lange tijd niet terugkeren in hun woning en door alle herstelwerkzaamheden die noodzakelijk zijn geweest, heeft zij niet langer het gevoel dat de woning haar (t)huis is. De rechtbank begrijpt heel goed dat er bij haar en haar partner nog veel onbegrip en woede is.
Verdachte heeft het feit gepleegd voor een geringe financiële beloning en heeft vooraf kennelijk geen moment stilgestaan bij de gevolgen die een dergelijke daad zou kunnen hebben. Verdachte had zich gedurende een week op verschillende momenten kunnen bedenken, maar heeft ervoor gekozen om dit niet te doen. De rechtbank neemt verdachte dit alles zeer kwalijk.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Verdachte heeft een blanco strafblad en heeft voor dit feit vier dagen in voorlopige hechtenis gezeten. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen door, toen hij zich had gemeld naar aanleiding van de beelden op social media, bij het eerste verhoor al te verklaren wat zijn aandeel was en enigszins openheid van zaken gegeven. Ook heeft verdachte spijt betuigd en excuses aangeboden aan het slachtoffer ter zitting en deze excuses zijn op de rechtbank als oprecht overgekomen.
De rechtbank leidt uit het reclasseringsadvies af dat het verdachte ten tijde van het feit aan dagbesteding en een inkomen ontbrak. Verdachte was bovendien verslaafd aan de designerdrug 'Miauw' (3MMC), waarvan hij inmiddels is afgekickt. Gedurende zijn schorsingstoezicht stond verdachte sinds november 2024 onder behandeling bij [kliniek] . In december 2025 is dit behandeltraject positief afgesloten en is geconcludeerd dat een forensisch behandeltraject niet meer noodzakelijk is. Risicofactoren worden door zowel de behandelinstelling als de reclassering nog gezien in het middelengebruik van verdachte (blowen), een gebrekkige impulsbeheersing en disfunctionele oplossingsvaardigheden (middelengebruik als coping). Verdachte heeft momenteel geen hulpvraag. Dat,
in combinatie met het feit dat hij zijn leven inmiddels op de rit lijkt te hebben en het feit dat
de risico's verminderd zijn, maakt dat de reclassering op dit moment geen meerwaarde ziet in voortzetting van het toezicht bij een eventuele veroordeling.
Adolescentenstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het feit meerderjarig was, maar de leeftijd van 23 jaar nog niet had bereikt. Hij was slechts 18 jaar oud. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht biedt de rechtbank de mogelijkheid om voor jongvolwassenen het jeugdsanctierecht toe te passen, indien de rechtbank daartoe aanleiding vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.
De rechtbank ziet, met de verdediging, in de persoon van verdachte in overwegende mate aanleiding om het adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) toe te passen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte, volgens het reclasseringsrapport en volgens het rapport van [kliniek] waar verdachte onder behandeling is geweest, een kwetsbare jongen is, bij wie ADHD is gediagnosticeerd, impulsief is, daarmee samenhangend aandachtstekortklachten heeft en beperkte handelingsvaardigheden heeft. Verdachte kan zijn eigen aandeel slecht inschatten en is genegen om mee te lopen in plaats van weerstand te bieden. Zijn copingsmechanisme is gebrekkig en hij zoekt oplossingen in middelengebruik. Zo was verdachte ten tijde van het delict een gebruiker van de harddrug 3MMC en gebruikt hij nu nog cannabis om rustig te worden. [kliniek] ziet in de combinatie van cognitieve kwetsbaarheden, emotionele vlakheid en de coping via middelen de vraag om een zorgvuldig afgestemde benadering in begeleiding en behandeling.
Verdachte staat - ook volgens het reclasseringsadvies - open voor pedagogische beïnvloeding en kan hier baat bij hebben. Verdachte heeft een betrokken gezinssysteem. Hoewel de reclassering in haar rapport het advies geeft om het ASR niet toe te passen, sluit de rechtbank niet uit dat zij indicaties voor toepassing van het ASR had gezien als zij verdachte op 18-jarige leeftijd, ten tijde van het plegen van dit feit, hadden kunnen spreken. Tegelijkertijd benoemt de reclassering in haar rapport wel de mogelijkheid voor verdachte om met toezicht en begeleiding door verschillende instanties zijn problematiek aan te pakken. De rechtbank acht een pedagogische aanpak daarom zinvol.
Gelet op dit alles zal de rechtbank daarom recht doen overeenkomstig de bijzondere bepalingen voor jeugdigen. Bij het jeugdstrafrecht gelden lagere oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Het accent ligt niet zozeer op de vergelding; pedagogisch bijsturen is het uitgangspunt. Verder wordt bij het bepalen van welke straf passend is veel belang gehecht aan wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat voor een feit als het onderhavige in beginsel niets anders passend is dan een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Niet alleen vanwege de aard en ernst van het delict, maar ook om een signaal af te geven naar de slachtoffers en naar de maatschappij zodat deze en potentiële nieuwe daders beseffen dat dergelijke daden niet worden getolereerd en hiervan preventieve werking uitgaat.
De rechtbank ziet dan ook, ondanks het feit dat zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en ondanks de toepassing van het ASR en de positieve ontwikkeling van verdachte, geen andere mogelijkheid dan het opleggen van (ook) een onvoorwaardelijke jeugddetentie.
De rechtbank zal een gedeelte van deze jeugddetentie voorwaardelijk opleggen. Enerzijds om de ernst van het feit te benadrukken en anderzijds om de mogelijkheid van bijzondere voorwaarden te creëren waar zowel verdachte als de maatschappij bij gebaat kunnen zijn. Weliswaar zijn er geen bijzondere voorwaarden geadviseerd door de reclassering, de rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden echter wel aanleiding om voorwaarden op te leggen die zij passend acht.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank een jeugddetentie opleggen voor de duur van 7 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Als bijzondere voorwaarden zal de rechtbank een meldplicht opleggen en bepalen dat verdachte zal meewerken aan nader diagnostisch onderzoek voor zover de reclassering dit noodzakelijk acht en zal meewerken aan een (ambulante) behandeling voor zover dit uit het diagnostisch onderzoek nodig blijkt of voor zover de reclassering dit noodzakelijk acht. Daarnaast zal verdachte moeten meewerken aan urinecontroles met het oog op zijn middelengebruik voor zover en voor hoe lang de reclassering dit noodzakelijk acht. Ook zal de rechtbank een locatieverbod opleggen. Tot slot zal verdachte zich moeten inspannen om een nuttige dagbesteding te vinden dan wel te behouden, waarbij zowel aan werk als aan een andere invulling kan worden gedacht. De jeugdreclassering zal hierbij toezicht houden op het naleven van de voorwaarden. De rechtbank merkt op dat weliswaar geen bijzondere voorwaarden zijn geadviseerd door de reclassering, maar dat het toezicht gelet op de persoon van verdachte bij Stichting Jeugdbescherming Brabant, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, dient te worden belegd.

7.De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 4.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij stelt psychische schade te hebben opgelopen. De verdediging betwist de hoogte van deze schade, omdat er geen (medische) onderbouwing is. De rechtbank acht echter voorshands duidelijk dat de impact die de vuurwerkbom heeft aangericht (psychisch) leed heeft veroorzaakt. Zonder enige aanleiding zijn aangevers opgeschrikt door een vuurwerkbom die hun benedenverdieping volledig in brand heeft gezet. Daarbij weegt de rechtbank ook dat aangevers langere tijd niet konden terugkeren naar hun eigen woning. Tot op de dag van vandaag voelen zij zich onveilig in hun huis en omgeving. De rechtbank stelt vast dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden acht de rechtbank het gevorderde bedrag van €4.000 billijk en daarom toewijsbaar.
Schadevergoedingsmaatregel, wettelijke rente en hoofdelijkheid
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen bedragen toewijzen vanaf 9 mei 2024.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van de toegekende schadebedragen. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht allen aansprakelijk zijn voor de gehele schade. De rechtbank zal daarom de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald en andersom.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing te weeg brengen/ veroorzaken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 7(zeven) maanden, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant (hierna: jeugdreclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat nodig acht;
* dat verdachte meewerkt aan nader diagnostisch onderzoek, voor zover de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
* dat verdachte zich ambulant laat behandelen voor zover hiervoor aanleiding is n.a.v. het hiervoor genoemde diagnostisch onderzoek danwel voor zover de jeugdreclassering anderszins een behandeling noodzakelijk acht;
* dat verdachte meewerkt aan urinecontroles, de duur en frequentie te bepalen door de jeugdreclassering;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt op [adres] , inclusief de hierop aansluitende straten;
* dat verdachte zich inspant tot het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur dan wel een andere zinvolle dagbesteding;
- stelt vast dat
van rechtswege de volgende voorwaardengelden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan Stichting Jeugdbescherming Brabant, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Vordering benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van
€ 4.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[aangeefster] , € 4.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 9 mei 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. R. de Jong en mr. N. van der Hoeven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.P.A.J. Joosen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 12 februari 2026.
Mr. van der Hoeven is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 9 mei 2024 te [plaats] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door
- een explosief aan te steken,
- een tegel, althans een hard voorwerp door, de ruit van de woning aan de
[adres] te gooien en/of
- dat explosief in de woning door de kapotte ruit te gooien,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en/of inboedel van die woning
en/of een of meer omliggende woningen en/of inboedel van die omliggende
woningen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
bewoners van de omliggende woningen te duchten was;
( art 157 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf Pro/sub 2 Wetboek van
Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht )