Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het UWV omdat het niet tijdig heeft beslist op de aanvraag tot herbeoordeling van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA, ingediend op 7 juli 2025. Na een ingebrekestelling op 29 september 2025 en het verstrijken van de wettelijke termijn zonder besluit, is het beroep bij de rechtbank ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is vanwege de overschrijding van de beslistermijn. Het UWV heeft als reden het tekort aan verzekeringsartsen aangevoerd en aangegeven dat onduidelijk is wanneer een besluit kan worden genomen, maar dat de zaak met voorrang wordt behandeld.
De rechtbank stelt een redelijke termijn van vier maanden vast waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen, rekening houdend met het belang van zorgvuldige besluitvorming en het belang van tijdige besluitvorming voor eiseres. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €770 en proceskosten van €467 aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 12 februari 2026.