ECLI:NL:RBZWB:2026:947

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/489
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling bij niet tijdig beslissen door Dienst Toeslagen

Verzoekster stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar door de Dienst Toeslagen. Nadat de Dienst Toeslagen alsnog op het bezwaar had beslist, trok verzoekster haar beroep in, maar verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen tegemoet was gekomen aan het beroep tegen het niet tijdig beslissen, waardoor proceskostenvergoeding voor dat deel toewijsbaar was. Voor het beroep tegen het besluit van 24 februari 2025 werd de vergoeding afgewezen, omdat het besluit niet was gewijzigd en de motivering niet nieuw was.

De rechtbank veroordeelde de Dienst Toeslagen tot betaling van € 467,- aan proceskosten en wees erop dat het griffierecht van € 53,- door de Dienst Toeslagen vergoed moet worden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op 16 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 467,- aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/489 KINDER

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.

Inleiding

1. Verzoekster heeft op 16 januari 2025 beroep ingesteld, omdat de Dienst Toeslagen niet tijdig heeft beslist op haar bezwaar. De Dienst Toeslagen heeft op 24 februari 2025 alsnog beslist op het bezwaar van verzoekster. Verzoekster heeft met de brief van 7 april 2025 aangegeven zich niet te kunnen verenigen met dit besluit. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom mede betrekking op het alsnog genomen besluit.
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de Dienst Toeslagen in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van de Dienst Toeslagen van 24 februari 2025. Zij heeft het beroep ingetrokken naar aanleiding van het verweerschrift van 16 januari 2026.
1.2.
De rechtbank heeft de Dienst Toeslagen in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De Dienst Toeslagen heeft de rechtbank bij brief van 5 februari 2026 meegedeeld dat geen aanleiding bestaat voor vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
1.3.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Beroep tegen niet tijdig beslissen
3. Verzoekster heeft beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Na indiening van dat beroep heeft de Dienst Toeslagen alsnog een beslissing op haar bezwaar genomen. Hiermee is de Dienst Toeslagen tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling dus toe voor zover het betrekking heeft op het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
Beroep tegen het besluit van 24 februari 2025
4. De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen niet is tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster tegen het besluit van 24 februari 2025. De Dienst Toeslagen heeft met het verweerschrift van 16 januari 2026 immers niet dit besluit gewijzigd. Nog los van de vraag of een - volgens verzoekster - gewijzigde motivering in het verweerschrift onder het bereik valt van artikel 8:75a van de Awb, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een nieuwe motivering in het verweerschrift ten opzichte van dit besluit en het daaraan ten grondslag liggende advies van de bezwaarschriftenadviescommissie. De stukken die de Dienst Toeslagen noemt op pagina 6, eerste en vijfde alinea, van het verweerschrift waren bekend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit en zijn daarbij meegenomen. Ook verzoekster heeft daar kennis van kunnen nemen. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling dus af voor zover het betrekking heeft op het beroep tegen het besluit van 24 februari 2025.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank wijst het verzoek om veroordeling van de Dienst Toeslagen in de proceskosten als kennelijk gegrond toe voor zover het betrekking heeft op het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van verzoekster. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van verzoekster een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
5.1.
De rechtbank wijst erop dat de Dienst Toeslagen verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. [3] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot de Dienst Toeslagen wenden.
6. De rechtbank wijst het verzoek om veroordeling van de Dienst Toeslagen in de proceskosten als kennelijk ongegrond af voor zover het betrekking heeft op het beroep tegen het besluit van 24 februari 2025.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 16 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.