ECLI:NL:RBZWB:2026:952

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
BRE 25/123 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 7:3 AwbArt. 5 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser, werkzaam als hulpkok, viel op 9 oktober 2021 uit wegens gezondheidsklachten en vroeg op 20 juli 2023 een WIA-uitkering aan. Het UWV beoordeelde zijn arbeidsongeschiktheid per 7 oktober 2023 en stelde vast dat hij maximaal 20 uur per week kon werken, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheidspercentage van 30,93%. Dit was onvoldoende voor een WIA-uitkering.

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit en stelde dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, met name omdat hij niet is gezien door een verzekeringsarts in bezwaar en beroep. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een spreekuurcontact met de verzekeringsarts b&b gerechtvaardigd was, omdat de arts dit voldoende motiveerde en eiser daardoor niet benadeeld werd.

Verder stelde eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar en dat een verdere urenbeperking had moeten worden aangenomen. De rechtbank concludeerde dat eiser had afgezien van een hoorzitting en dat zijn medische beperkingen niet waren onderschat. De functies die het UWV gebruikte voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid waren passend.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser, vanwege een gebrek dat met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro werd gepasseerd.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/123 WIA

uitspraak van 16 februari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. E.J. Overwater),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd om een WIA-uitkering toe te kennen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Het UWV heeft met het besluit van 23 oktober 2023 geweigerd om per 7 oktober 2023 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen. Met het bestreden besluit van 4 december 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben, middels een digitale videoverbinding, deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en namens het UWV mr. H.J.J. Verhoeven.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is werkzaam geweest als hulpkok voor 32 uur per week. Voor dat werk is hij op 9 oktober 2021 uitgevallen vanwege belemmerende gezondheidsklachten.
3.1.
Op 20 juli 2023 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft vervolgens beoordeeld in hoeverre eiser op 7 oktober 2023 (datum in geding) arbeidsongeschikt was. In dat kader heeft op 9 oktober 2023, middels beeldbellen, spreekuurcontact plaatsgevonden met een arts (niet zijnde een verzekeringsarts). De arts heeft, onder andere, overwogen dat op energetische gronden een urenbeperking van maximaal 4 uur per dag en maximaal 20 uur per week moet worden aangenomen. De urenbeperking en andere beperkingen heeft de arts vastgelegd in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 18 oktober 2023.
3.2.
De arbeidsdeskundige heeft op basis van de theoretische verdiencapaciteit van eiser zijn arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 30,93%. Omdat dit percentage lager is dan 35% heeft het UWV bij (primair) besluit van 23 oktober 2023 geoordeeld dat eiser per 7 oktober 2023 geen WIA-uitkering kan krijgen.
3.3.
Eiser heeft (zelf) bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In bezwaar heeft geen hoorzitting plaatsgevonden en eiser is niet gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b). De verzekeringsarts b&b heeft daarover in de rapportage van 28 oktober 2024 het navolgende opgenomen: “
Er werd informatie opgevraagd. Die informatie is, in samenhang met wat verder uit het dossier blijkt, voldoende om de heroverweging op te kunnen baseren. Ik zie daarom af van een persoonlijk contact met belanghebbende.”.
Het bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser, ook na de medische en arbeidsdeskundige heroverweging, minder dan 35% arbeidsongeschikt is op de datum in geding. De verzekeringsarts b&b vindt dat eiser minder mogelijkheden heeft om te werken en heeft op grond van de medische informatie de FML op enkele punten aangepast. Ondanks dat de belastbaarheid in bezwaar is gewijzigd, vindt de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) dat eiser alle oorspronkelijk geduide functies kan uitoefenen, zodat de theoretische verdiencapaciteit en daarmee het arbeidsongeschiktheids-percentage ongewijzigd blijven.
Wettelijk kader
5. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroepsgronden
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. In dat kader wijst hij op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 juni 2021 [1] waarin is geoordeeld dat als uitgangspunt geldt dat wanneer het medisch onderzoek in de primaire fase is verricht door een arts, in de bezwaarfase wel een spreekuurcontact met een verzekeringsarts moet plaatsvinden. Dat is in dit geval niet gebeurd en eiser is het niet eens met de motivering van de verzekeringsarts b&b waarom dit geen toegevoegde waarde had.
Verder voert eiser aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Hij betwist dat hij heeft afgezien van een hoorzitting en voor zover hij dat wel heeft gedaan, heeft hij die beslissing genomen op basis van onvolledige informatie; als het UWV hem had verteld dat bij een hoorzitting ook de verzekeringsarts b&b aanwezig zou zijn, had hij nooit afgezien van een hoorzitting.
Ten slotte is eiser van mening dat een verdergaande urenbeperking had moeten worden aangenomen.
Beoordeling van de rechtbank
7. Uit vaste jurisprudentie, waaronder de door eiser genoemde uitspraak, volgt dat in een situatie als de onderhavige in beginsel slechts van spreekuurcontact met de verzekeringsarts b&b kan worden afgezien indien de verzekeringsarts b&b voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dat kader niet worden volstaan met de motivering die de verzekeringsarts b&b daarvoor in bezwaar heeft gegeven. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat de verzekeringsarts b&b dit in beroep alsnog op afdoende wijze heeft gemotiveerd en eiser daardoor niet is benadeeld. Daarbij is van belang dat is toegelicht dat de in bezwaar ontvangen gegevens van de longarts voldoende objectieve parameters geven om tot een oordeel over de (energetische) belastbaarheid te kunnen komen. Ook heeft de verzekeringsarts b&b gemotiveerd dat onder deze omstandigheden, anders dan betoogd door eiser, een fysiek onderzoek niets toevoegt omdat daarbij feitelijk niet meer vastgesteld kan worden dan een opgeheven ademgeruis aan de zijde waar de long verwijderd is.
7.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat uit de telefoonnotitie van 11 januari 2024 blijkt dat eiser heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om in bezwaar te worden gehoord. Uit de toelichting op de betreffende beroepsgrond en hetgeen daarover ter zitting is besproken, volgt dat eiser hier achteraf spijt van heeft, omdat hij graag gezien had willen worden door de verzekeringsarts b&b. Hoewel in de praktijk een hoorzitting vaak gecombineerd wordt met een aansluitend onderzoek door c.q. spreekuurcontact met de verzekeringsarts b&b (voor zover de verzekeringsarts b&b daar aanleiding voor ziet), maakt dat op zichzelf geen onderdeel uit het recht om te worden gehoord. De beroepsgrond dat eiser niet althans op basis van onvolledige informatie heeft afgezien van een hoorzitting, slaagt derhalve niet.
7.2.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat de verzekeringsarts b&b op basis van de brief van de longarts van 13 februari 2024 heeft vastgesteld dat eiser fysiek fors heeft ingeleverd, hetgeen middels inspanningsonderzoek is geobjectiveerd. Op grond daarvan heeft hij de FML op enkele items aangepast en geconcludeerd dat de primaire arts voor het overige voldoende rekening heeft gehouden met de klachten van eiser, ook gezien de urenbeperking. Eiser heeft in beroep zijn standpunt dat een verdergaande urenbeperking is aangewezen niet onderbouwd met (nieuwe) medische gegevens. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts b&b dat er geen indicatie is voor een verdergaande urenbeperking.
Verder heeft de verzekeringsarts b&b in beroep toegelicht dat de opmerking over het werk dat belanghebbende in de wachttijd heeft verricht, niet meer was dan een steunargument en niet bepalend is geweest om tot de vastgelegde arbeidsduur te komen. Dat de verzekeringsarts b&b in dat kader over een ‘waarschijnlijkheid’ heeft gesproken, maakt het onderzoek dus niet onzorgvuldig. Nu niet duidelijk is of en in hoeverre bij die werkzaamheden rekening is gehouden met de beperkingen zoals neergelegd in de FML van 28 oktober 2024, kan uit de omstandigheid dat eiser daarbij geen 20 uur per week heeft kunnen werken, niet de gevolgtrekking worden gemaakt dat een forsere urenbeperking nodig is.
Kortom, niet gebleken is dat in de FML van 28 oktober 2024 de beperkingen van eiser zijn onderschat. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid zoals opgenomen in die FML.
7.3.
De arbeidsdeskundige b&b van het UWV heeft, rekening houdend met de FML, de volgende functies ten grondslag gelegd aan de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid: telefonist (centrale), medewerker callcenter (inbound) (Sbc-code 315174), administratief ondersteunend medewerker (Sbc-code 315100) en medewerker binderij, grafisch nabewerker (Sbc-code 268030).
7.4.
De beroepsgronden van eiser geven de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de geselecteerde functies. Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in staat is om de geduide functies te verrichten, vloeit dat voort uit zijn opvatting dat zijn medische beperkingen zijn onderschat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geconcludeerd, is die opvatting niet juist.
De hiervoor genoemde functies mochten dus worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
7.5.
Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies zou kunnen verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot de conclusie dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid.
Omdat pas recht bestaat op een WIA-uitkering bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer, heeft het UWV terecht geweigerd om die uitkering aan eiser toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.
8.1.
Omdat er sprake was van een gebrek en artikel 6:22 van Pro de Awb is toegepast, moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt hij een vergoeding voor zijn proceskosten.
Het UWV moet de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,00.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 16 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:22
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
het bezwaar kennelijk ongegrond is,
de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
e belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 5
Gedeeltelijk arbeidsgeschikt is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.