ECLI:NL:RBZWB:2026:983

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
C/02/443916 / FA RK 26-184
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning zorgmachtiging voor verplichte psychiatrische zorg ondanks verzet betrokkene

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 20 januari 2026 het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging voor betrokkene, geboren in 1981, die zich verzet tegen verplichte psychiatrische zorg. Betrokkene ontkent het bestaan van een psychische stoornis en ervaart de huidige GGZ-zorg als onnodig en belemmerend. Zij wil af van medicatie vanwege bijwerkingen en wil geen bemoeienis meer van de GGZ.

De regiebehandelaar en casemanager ACT stelden dat betrokkene lijdt aan schizofreniespectrumstoornissen, bipolaire-stemmingsstoornissen en verslavingsstoornissen, met risico op agressief gedrag en maatschappelijke teloorgang. Ondanks pogingen tot medicatieaanpassing blijft betrokkene risico lopen op ernstig nadeel. De advocaat van betrokkene voerde aan dat het verzoek te laat was ingediend en betwistte de diagnoses en noodzaak van verplichte zorg.

De rechtbank oordeelde dat de medische verklaringen en het zorgplan voldoende onderbouwd zijn en dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis die leidt tot ernstig nadeel, zoals agressie en gevaar voor de veiligheid. Er is geen mogelijkheid voor passende vrijwillige zorg. Daarom is verplichte zorg noodzakelijk, bestaande uit medicatietoediening, medische controles en het onderhouden van contact met het ambulante zorgteam. De zorgmachtiging wordt verleend voor zes maanden, korter dan de gevraagde twaalf maanden, met het oog op het ontbreken van toekomstperspectief en de gespannen relatie tussen betrokkene en zorgverleners.

Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor zes maanden voor verplichte psychiatrische zorg aan betrokkene ondanks haar verzet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443916 / FA RK 26-184
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonende te [plaats 1] ,
advocaat mr. M.C.A. Hollants uit Tilburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 13 januari 2026;
  • het op 19 januari 2026 van de advocaat van betrokkene ontvangen verweerschrift.
1.2.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene verzocht om de heer [persoon 1] , psychiater, fysiek bij de mondelinge behandeling te laten aansluiten. De heer [persoon 1] is vervolgens door de rechtbank gevraagd om aan de mondelinge behandeling deel te nemen. Daarop is op 19 januari 2026 door de heer [persoon 1] per email bericht dat hij kennis heeft genomen van de (contraire) standpunten van cliënt en van haar advocaat. Deze standpunten zijn reeds langer bij de GGZ bekend. Tevens heeft hij medegedeeld zelf niet in de gelegenheid te zijn om aan te sluiten bij de zitting en dat één van de bij de zorg van mw. [betrokkene] betrokken collega’s, aanwezig zal zijn.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
  • mevrouw [persoon 2] , regiebehandelaar [accommodatie 1] ;
  • mevrouw [persoon 3] , casemanager ACT.
1.4.
De officier is zoals hij reeds aangaf in zijn verzoek niet op de mondelinge behandeling verschenen en dus ook niet gehoord.

2.Wat vaststaat

De rechtbank heeft een zorgmachtiging verleend tot en met 21 januari 2026.

3.Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden voor de navolgende zorgvormen:
- het toedienen van vocht en voeding;
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.

4.De standpunten

4.1.
Betrokkene merkt op dat zij de huidige GGZ-zorg als onnodig en ongewenst ervaart. Er is bij haar geen sprake van een psychische stoornis. Van psychiater [persoon 4] te [plaats 2] heeft zij begrepen dat hij deze opvatting deelt. Zij heeft bemerkt na een verlaging van de medicatie dat zij zich beduidend beter voelde en ook vrolijker werd. Zij wil daarom van deze medicatie af, ook omdat zij daarvan vervelende bijwerkingen ervaart. De aanpak van de GGZ lijkt er echter op gericht dat zij voor de rest van haar leven aan depotmedicatie vastzit. Betrokkene vervolgt dat zij zaken die er in het verleden speelden voor zichzelf heeft kunnen verwerken. Voor zover er nog problemen zijn waarmee zij kampt kan zij daarvoor een beroep doen op steun vanuit [hulpverlening] , haar bewindvoerder en haar mentor en vrienden. Zij krijgt echter niet de kans om te laten zien dat zij ook zonder
GGZ- zorg adequaat weet te functioneren. De huidige GGZ zorg en -bemoeienis zorgt er momenteel vooral voor dat zij niet verder kan met haar leven om haar toekomstplannen te realiseren. Ook wordt zij in haar beleving door haar behandelaren zwart gemaakt, terwijl zij niets verkeerds heeft gedaan. Zij wil daarom geen enkele bemoeienis meer van de GGZ.
4.2.
De regiebehandelaar [accommodatie 1] brengt naar voren dat betrokkene sinds enkele
jaren in zorg is in verband met psychotische decompensaties bij een psychiatrisch beeld, complexe vroegkinderlijke traumatisering en aanhoudend middelengebruik. In de afgelopen jaren is sprake geweest van psychotische decompensaties met auditieve hallucinaties en
wanen en van daaruit veroorzaakt ernstig nadeel in de vorm van agressie naar anderen, waaronder zorgverlening/begeleiding, het oproepen van agressie van anderen en gevaar voor sociaal-maatschappelijke teloorgang ten tijde van psychotische decompensatie. Ook is uit diagnostisch onderzoek gebleken en als zodanig bevestigd in een daarop volgend - bij wijze van second opinion - uitgevoerd onafhankelijk onderzoek, dat betrokkene depotmedicatie nodig heeft. Als zij die niet gebruikt wordt zij belemmerd in haar functioneren. Er zijn met betrokkene gesprekken gevoerd, bedoeld om te komen tot andere medicatie(vormen) met minder bijwerkingen, maar gebleken is dat betrokkene in de kern van opvatting is dat zij geen medicatie nodig heeft en dat de gestelde diagnose niet klopt. Intussen is een vermindering van de medicatie geprobeerd, maar gezien werd dat vervolgens de boosheid en achterdocht en daardoor het risico op agressief gedrag bij betrokkene toenam. Zij heeft ook een doodsbedreiging aan de heer [persoon 1] , psychiater, gericht. Hoewel er nog steeds gesprekken over de zorg, waaronder meer specifiek de medicamenteuze behandeling plaatsvinden leiden die niet tot een verbetering van de samenwerkingsrelatie met betrokkene. Er wordt daarom ook gezocht naar alternatieven in de vorm van zorg/behandeltraject bij een andere (neutrale) zorgaanbieder, in welk verband er contact is gezocht met Fivoor. Met deze toelichting kan zij achter het voorliggend verzoek staan. Als de op dit moment strikt noodzakelijke zorgvormen, die verplicht toegepast dienen te kunnen worden, benoemt zij het toedienen van medicatie, het verrichten van medische controles en het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, bestaande uit het (blijven) onderhouden van contact met de ambulante zorg en waaronder niet is inbegrepen het beperken van het gebruik van communicatiemiddelen.
4.3.
De casemanager ACT sluit zich aan bij al wat door de regiebehandelaar [accommodatie 1] naar voren is gebracht.
4.4.
De advocaat van betrokkene voert aan dat in de eerste plaats geldt dat het verzoek later dan de wettelijke toegestane termijn, te weten slechts 8 dagen vóór afloop van de huidige zorgmachtiging is ingediend. Dit is ook als zodanig aan betrokkene medegedeeld. Daarom was zij er vanuit gegaan dat, als het verzoek al wordt toegewezen, de zorgmachtiging niet voor een periode van twaalf maanden, maar voor een periode van maximaal zes maanden wordt verleend. Ook dient de rechtbank er rekening mee te houden dat betrokkene zich door de te late indiening van het verzoek daarop onvoldoende tijdig heeft kunnen voorbereiden en zij daardoor in haar belangen is geschaad.
Ten aanzien van het voorliggend verzoek acht zij van belang op te merken dat door haar cliënt wordt betwist dat er sprake is van een psychische stoornis, zoals vermeld in de medische verklaring en in het zorgplan. De daarin vermelde diagnoses zijn in de eerste plaats niet geheel gelijk. In het zorgplan wordt gesproken over schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en van middel gerelateerde en verslavingsstoornissen. De medische verklaring vermeldt naast genoemde twee stoornissen tevens bipolaire-stemmingsstoornissen en overige DSM-5 stoornissen. Betrokkene is, voordat zij bij [accommodatie 2] terecht kwam, waar zij tussen junks en dealers verbleef, gedurende langere tijd clean geweest. Inmiddels heeft zij haar middelengebruik weten te matigen en is er van verslavingsafhankelijkheid absoluut geen sprake meer. Ook beschikt zij over een betere woonplek, heeft zij werk/dagbesteding en een bewindvoerder/mentor. Betrokkene herkent zich ook niet in de overige gestelde diagnoses, in welk verband zij benadrukt dat zij haar verleden achter zich heeft gelaten en zij haar eigen weg heeft gekozen. Er is dus ook geen sprake meer van (enig) daardoor veroorzaakt ernstig nadeel. Zo roept betrokkene geen agressie op, wel heeft zij al vroeg geleerd van zich af te bijten als derden haar mogelijk benadelen, haar agressief benaderen, of misbruik van haar willen maken. Betrokkene is van nature zorgzaam, familie en vrienden kunnen dit beamen. Ook is er al langere tijd geen sprake meer van prostitutie, dit was al gestopt voor de opnames begonnen. Wel ervaart betrokkene het als traumatisch dat zij nu ruim 5 jaar geleden haar werk en haar rijbewijs is kwijtgeraakt door een onterechte klinische opname en het niet doorsturen van haar post vanuit het ambulante team zodat zij niet tijdig bezwaar kon maken tegen het besluit tot inname van haar rijbewijs. Ook is zij uiteindelijk haar woonplek kwijtgeraakt. Dit alles terwijl zij op dat moment in een rouwproces zat vanwege ziekte respectievelijk het overlijden van haar moeder. Betrokkene is bovendien in de afgelopen jaren door de opnames en depots met forse bijwerkingen, waarbij er niet echt naar haar werd geluisterd, het vertrouwen in de GGZ kwijtgeraakt. Ook heeft dit regelmatig geleid tot boosheid bij betrokkene, zij het niet vanuit een stoornis, maar als gevolg van het verloop van gesprekken over de zorg/behandeling, waaronder meer specifiek haar medicatie. Naast dat betrokkene heftige bijwerkingen ervaart van de medicatie wordt zij daardoor belemmerd in haar dagelijkse functioneren en is er sprake van een forse gewichtstoename. Zij wenst daarom dat de medicatie wordt afgebouwd tot nihil zodat zij geen beperkingen meer ervaart bij haar werkzaamheden en zij meer van het leven kan genieten.
Van belang is dat er geen sprake meer kan zijn van een verplicht kader, nu is gebleken dat dit bij haar cliënt averechts werkt. In overleg met haar dient daarom te worden gekeken naar hoe nu verder met verdere medicatie afbouw in een vrijwillig kader. Mogelijk kan daartoe ook een second opinion worden ingewonnen, bijvoorbeeld bij psychiater [persoon 4] . Met voormelde toelichting stelt zij zich namens haar cliënt primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen. Indien de rechtbank anders mocht oordelen verzoekt zij - bij wijze van subsidiair standpunt - ten minste de zorgvormen af te wijzen die zien op klinische opname, waaronder insluiten, het toedienen van vocht en voeding, het controleren op de aanwezigheid van gedragbeïnvloedende middelen en het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, bestaande uit het accepteren van ambulante zorg. Tevens verzoekt zij de zorgmachtiging in dat geval te verlenen voor een periode niet langer dan zes maanden.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank verleent de gevraagde zorgmachtiging. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
Uit de bij het verzoek overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, bipolaire-stemmingsstoornissen, middel gerelateerde en verslavingsstoornissen en overige DSM-5 stoornissen. De omstandigheid dat betrokkene ontkent dat er bij haar sprake is van een psychische stoornis vormt voor de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van de medische verklaring en het zorgplan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de diagnoses in de medische verklaring en het zorgplan weliswaar niet identiek zijn beschreven, maar deskundig zijn opgesteld en onderbouwd om te kunnen aannemen dat bij betrokkene van de aldus genoemde stoornissen sprake is. Dat deze diagnoses niet 1 op 1 hetzelfde luiden kan te maken hebben met het door deskundigen anders kijken naar de DSM-criteria voor bepaalde stoornissen of het feit dat de psychiater die iemand korte tijd voor de opstelling van een medische verklaring bepaald gedrag niet waarneemt terwijl de zorgverantwoordelijke dit gedurende langere tijd wel ziet. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een ander onafhankelijk deskundigenonderzoek - bij wijze van second opinion - te laten plaats vinden.
5.3.
Ook is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat het gedrag van betrokkene als gevolg van haar stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- maatschappelijke teloorgang;
- het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag;
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat gebleken is dat de stoornis van betrokkene, als hiervóór beschreven, met name gedurende periodes waarin het minder goed met haar gaat of wanneer zij de haar voorgeschreven medicatie niet consequent of in verminderde dosering gebruikt nog steeds leidt tot het ontstaan of het risico op ernstig nadeel, meer specifiek in de vorm van agressief gedrag naar anderen, waaronder ook zorgverleners en het daardoor ontstaan van gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen, het oproepen van agressie van anderen en maatschappelijke teloorgang. Naar het oordeel van de rechtbank is niet of althans onvoldoende gebleken van het risico op het ontstaan van ernstig nadeel in de vorm van ernstige psychische schade. Daarom beperkt de rechtbank zich tot de eerder genoemde drie vormen van ernstig nadeel.
5.4.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
5.5.
Uit de mondelinge behandeling ter zitting is gebleken dat betrokkene het fundamenteel oneens is met haar behandelaar over de voor haar noodzakelijk geachte zorg. Naast dat betrokkene van de medicatie af wil, omdat zij daarvan vervelende bijwerkingen ervaart en zij die als een belemmering ziet om haar (verdere) leven vorm te geven laat zij blijken het liefst te willen dat GGZ zorg en -bemoeienis stopt. Daarvan uitgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen mogelijkheden zijn voor passende zorg op vrijwillige basis en verplichte zorg daarom nodig is.
5.6.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, bestaande uit het (blijven) onderhouden van contact met het ambulante zorgteam.
Gebleken is tenslotte dat voor andere vormen van verplichte zorg geen noodzaak bestaat, deze niet voorzienbaar zijn, zodat andere dan de hiervóór genoemde vormen van verplichte zorg zullen worden afgewezen.
5.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en haar omgeving.
5.8.
Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank een zorgmachtiging verlenen, zij het niet voor de verzochte periode van twaalf maanden, maar voor kortere duur, te weten zes maanden. Daarbij betrekt de rechtbank dat, ondanks dat betrokkene al gedurende langere tijd in zorg is, er geringe verbetering van haar toestandsbeeld wordt gezien en zij laat blijken dat het haar ontbreekt aan voldoende toekomstperspectief. Daarbij is het medicatiegebruik een heikel punt gebleken in de gesprekken tussen betrokkene en haar behandelaar, waardoor er niet van een constructieve samenwerkingsrelatie kan worden gesproken. De behandelaar zoekt daarom naar alternatieven, waaronder een andere zorgaanbieder, om betrokkene hierin tegemoet te komen.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verleent een zorgmachtiging voor:
[betrokkene] ,geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,
wat inhoudt dat de maatregelen die in rechtsoverweging 5.6 staan kunnen worden toegepast;
6.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 20 juli 2026;
6.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 door mr. Janssen, rechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier en op schrift gesteld op 3 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.