Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
- [eiser 1] en [eiser 2] , bijgestaan door mr. Van den Elsen,
- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , bijgestaan door mr. Kools.
1.De procedure
- de dagvaarding,
- producties 1 t/m 31 van de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] , met producties ,
- producties 1 t/m 9 van de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
- de mondelinge behandeling van 14 januari 2026 , waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] ,
- de pleitnota van de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
2.Waar gaat de zaak over?
3.De beoordeling
[eiser 2] maandelijks een bedrag betaald. Bij de maandelijkse overboeking werd aanvankelijk -volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op instructie van [eiser 1] - de omschrijving “boodschappen” vermeld. Wat daarvan zij, [eiser 1] en [eiser 2] hebben daar niet op gereageerd en zij hebben daartegen evenmin geprotesteerd, waarmee zij gedurende lange tijd betalingen hebben aanvaard die gecamoufleerd werden. Hierin zit een aanwijzing dat beide partijen tegen beter weten in aanvankelijk de suggestie naar derden hebben willen wekken dat er geen sprake was van huur. Een dergelijke handelwijze vindt doorgaans juist plaats als er wel sprake is van huur.
€ 178,00(plus de verhoging zoals
vermeld in de beslissing)