Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:997

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
02-079643-25
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 287 SrArt. 302 lid 1 SrArt. 45 lid 1 SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging moord en veroordeling poging doodslag na steekincident

Op 14 maart 2025 stak verdachte het slachtoffer meerdere keren met een mes in de hals en borst. De rechtbank oordeelde dat poging tot moord niet bewezen kon worden vanwege het ontbreken van voorbedachten rade, maar dat poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen was door het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op de dood.

De verdediging voerde noodweer(exces) aan, stellende dat verdachte zich verdedigde tegen een aanval van het slachtoffer. De rechtbank verwierp dit beroep omdat verdachte als agressor handelde en de verklaring van verdachte ongeloofwaardig was, terwijl de verklaring van het slachtoffer en getuigen betrouwbaar werd geacht.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 54 maanden op, lager dan de eis van 10 jaar wegens het ontbreken van poging tot moord. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van € 2.000,- immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De teruggave van het in beslag genomen mes werd gelast.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot moord, veroordeeld voor poging tot doodslag en kreeg 54 maanden gevangenisstraf met aftrek voorarrest opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-079643-25
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 februari 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie] ,
raadsman mr. M. Broere, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 februari 2026, waarbij de officier van justitie, mr. E. Kool, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is nader omschreven als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 14 maart 2025 in [plaats] heeft geprobeerd om [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachten rade, te doden door hem meermalen met een mes in zijn hals en borst te steken, dan wel door deze handelingen heeft geprobeerd hem zwaar te verwonden.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen. Het meermalen met kracht met een mes in het bovenlichaam steken, waar zich vitale organen en slagaders bevinden, levert een aanmerkelijke kans op de dood op en verdachte heeft die kans bewust aanvaard. De voorbedachten rade blijkt uit de gelegenheid tot nadenken die verdachte heeft gehad toen hij met het mes van zijn woning naar de woning van aangever liep en daar aanbelde.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair ten laste gelegde poging tot moord en de subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken. Van voorbedachten rade bij verdachte was geen sprake en niet kan worden bewezen dat er een aanmerkelijke kans op de dood was. Er is weliswaar sprake van steekverwondingen, maar er is geen letsel ontstaan aan vitale organen of slagaders in het bovenlichaam. Het dossier bevat voorts onvoldoende concrete informatie over de diepte van de verwondingen en de kracht waarmee zou zijn gestoken op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de kans op een dodelijke afloop aanmerkelijk was.
Ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling stelt de verdediging dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer(exces), hetgeen zou moeten leiden tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Verdachte werd door aangever aangevallen met een mes en kon geen kant op. Hij kon niet anders dan zich daartegen verdedigen. Verdachte is daarbij binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit gebleven.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 14 maart 2025 in [plaats] een incident heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft hierbij drie steekverwondingen opgelopen: twee in zijn linker schouder, waarvan één ter hoogte van zijn sleutelbeen, en één in zijn borst links naast zijn borstbeen. Deze zijn in het ziekenhuis gehecht.
Hoe zijn de steekverwondingen bij [slachtoffer] ontstaan?
Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij naar de woning van [slachtoffer] is gegaan. [slachtoffer] had bij een vriendin van hem, [getuige 1] , aan de deur gestaan en tegen haar gezegd dat hij, verdachte, bij de [motorclub] zat. Hij wilde aan [slachtoffer] vragen wat er aan de hand was. Hij heeft bij de woning van [slachtoffer] aangebeld en geklopt. Toen de deur openging, viel [slachtoffer] hem meteen met een mes aan. [slachtoffer] maakte meerdere stekende bewegingen in zijn richting. Verdachte probeerde deze stekende bewegingen af te weren met zijn handen en armen. [slachtoffer] heeft daarbij kennelijk zichzelf met het mes geraakt. Verdachte weet niet precies hoe dit is gegaan. Daarvoor ging het veel te snel. Hij heeft het mes in ieder geval niet aangeraakt en [slachtoffer] niet gestoken. Hij is zelf niet gewond geraakt.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte ongeloofwaardig is. De door verdachte geschetste gang van zaken rijmt niet met de inhoud van de bewijsmiddelen. Voorts acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat verdachte, die zelf geen geoefende vechtsporter is, gedurende enkele minuten stekende bewegingen heeft afgeweerd die door [slachtoffer] in zijn richting werden gemaakt en daarbij geen enkel letsel heeft opgelopen. Dit terwijl [slachtoffer] wel diverse steekverwondingen had. De rechtbank schuift de verklaring van verdachte dan ook terzijde.
Tegenover de verklaring van verdachte staat de verklaring van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft verklaard dat er tussen hem en verdachte direct een woordenwisseling ontstond toen hij de voordeur opendeed. Verdachte pakte tijdens die woordenwisseling ineens een mes en stak hem daar vervolgens mee. Het mes had een lemmet van ongeveer 17 centimeter.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op hoofdlijnen consistent en gedetailleerd heeft verklaard. Hij is later als getuige gehoord bij de rechter-commissaris en is daar bij zijn verklaring gebleven. Zijn verklaring wordt bovendien bevestigd door het steekletsel dat bij hem op drie plaatsen in zijn bovenlichaam is aangetroffen. Deze verwondingen bevinden zich op verschillende plekken en zijn zodanig ernstig van aard dat zij zich naar het oordeel van de rechtbank niet laten rijmen met een scenario waarin [slachtoffer] zichzelf met het mes zou hebben verwond. De verklaring van [slachtoffer] wordt voorts ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] . De rechtbank is anders dan de verdediging dan ook van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is. Het feit dat hij op de dag van het incident had gedronken en alcohol had gebruikt, doet hier niet aan af. De rechtbank zal bij haar verdere beoordeling van deze zaak dan ook de verklaring van [slachtoffer] en de over hem bekende medische informatie als uitgangspunt nemen. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte [slachtoffer] drie keer met een mes met een flink lemmet heeft gestoken.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is welk strafbaar feit deze gedraging oplevert.
Poging tot moord
De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Voor een bewezenverklaring van voorbedachten rade dient vast te komen staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een tevoren genomen besluit en dat de verdachte tussen het nemen van het besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van het voorgenomen besluit na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.
Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen aannemen dat verdachte bij het verlaten van zijn woning het mes heeft meegenomen met de bedoeling om iemand daarmee te steken. Op een later moment, nadat verdachte bij de woning van [slachtoffer] met hem in een woordenwisseling was geraakt, heeft verdachte wel de tijd gehad om het mes te pakken. Maar tussen het pakken van het mes en het steken zat niet een zodanig lange tijd dat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een door hem tevoren genomen besluit en dat hij tussen het nemen van dat besluit en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn daad en zich daar rekenschap van kon geven.
De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot moord.
Poging tot doodslag
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te kunnen komen, zoals subsidiair ten laste is gelegd, is vereist dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte de bedoeling heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van zogenoemd ‘vol opzet’ op de dood van [slachtoffer] .
De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer de gedragingen van verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg in het leven hebben geroepen en verdachte het risico op het intreden van deze gevolgen ook bewust heeft aanvaard. Het antwoord op de vraag of een kans aanmerkelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht.
De rechtbank is van oordeel dat door meermalen met kracht met een mes met een lemmet van 17 centimeter in de hals en de borst van [slachtoffer] te steken er een aanmerkelijke kans was op dodelijk letsel bij [slachtoffer] . Het is een feit van algemene bekendheid dat de hals en de borst kwetsbare delen van het lichaam zijn, waarin zich vitale (slag)aders en organen bevinden. Uit het feit dat verdachte meerdere keren heeft gestoken, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte de kans op de dood van [slachtoffer] ook willens en wetens aanvaard. Dat dit gevolg uiteindelijk niet is ingetreden, is niet het gevolg van het handelen van verdachte.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
Noodweer(exces)?
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte een beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, toekomt. Een geslaagd beroep op noodweer(exces) zou in dit geval tot gevolg hebben dat verdachte van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen.
Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van iemands lijf of goed. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding. De enkele vrees voor zo’n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Als de grenzen van de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding worden overschreden, kan sprake zijn van noodweerexces. De overschrijding van grenzen moet dan wel het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanrander veroorzaakt.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat zij de verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde schuift en bij de vaststelling van de feiten en omstandigheden de verklaring van [slachtoffer] als uitgangspunt neemt. Uit deze verklaring volgt dat verdachte bij [slachtoffer] langs is gegaan en na een woordenwisseling zelf een mes heeft getrokken en vervolgens [slachtoffer] drie keer heeft gestoken. Hieruit volgt dat geen sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verweren, maar juist dat verdachte als agressor heeft gehandeld.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep op noodweer moet worden verworpen. Omdat verdachte aldus niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging en dit brengt met zich dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
subsidiair
op 14 maart 2025 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meermalen met een mes in de hals en/of borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

De rechtbank heeft onder 4.3.2. overwogen dat aan verdachte geen beroep op noodweer(exces) toekomt.
Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 jaar met aftrek van het voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging vindt dat de eis van de officier van justitie disproportioneel is in vergelijking tot uitspraken in soortgelijke zaken. Zij heeft verzocht om bij de strafbepaling meer rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van maximaal 36 maanden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door [slachtoffer] meerdere keren met een flink mes te steken. [slachtoffer] heeft als gevolg hiervan twee steekwonden in zijn linker schouder, waarvan één ter hoogte van zijn sleutelbeen, en een steekwond in zijn borst links naast zijn borstbeen opgelopen en daar blijvende littekens aan overgehouden.
Door aldus te handelen heeft verdachte een zeer ernstig geweldsdelict gepleegd en een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Verdachte mag van geluk spreken dat het letsel van [slachtoffer] , die die dag nog naar het ziekenhuis is gebracht om zijn verwondingen te laten hechten, relatief is meegevallen. Het geweld heeft [slachtoffer] diep geraakt en hij heeft in een schriftelijke slachtofferverklaring onder woorden gebracht wat het met hem heeft gedaan. De rechtbank kent voorts gewicht toe aan het feit dat het incident heeft plaatsgevonden bij de woning van [slachtoffer] , terwijl de woning juist bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan. Ten slotte heeft verdachte op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hij ontkent [slachtoffer] te hebben gestoken en komt op zitting met een ongeloofwaardige verklaring. De rechtbank neemt dit verdachte uitermate kwalijk.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 20 januari 2026. Daaruit blijkt dat de reclassering door de ontkennende proceshouding van verdachte geen risicofactoren in kaart heeft kunnen brengen. Wel heeft verdachte in sociaal-maatschappelijke opzicht zijn leven op orde. Hij beschikt over stabiele huisvesting, ontvangt een uitkering en staat onder beschermingsbewind. Wel ziet de reclassering in de houding van verdachte een risico-verhogende factor. Verdachte is van mening dat hij door het openbaar ministerie en de rechtbank met argusogen bekeken wordt. Hij denkt dat hij schuldig wordt bevonden omdat het openbaar ministerie en de rechtbank ervan overtuigd zijn dat hij bij de [motorclub] zit. Hij wil niet met deze motorclub geassocieerd worden. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht (eventuele) risico’s te beperken.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zoals hiervoor uiteengezet, kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wat betreft de hoogte van deze op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van poging tot moord. Nu de rechtbank een poging tot doodslag bewezen acht, zal zij een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 54 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is en zal dit dan ook aan verdachte opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.Het beslag

7.1.
De teruggave
De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen mes aan verdachte. Weliswaar staat vast dat verdachte [slachtoffer] met een groot mes heeft gestoken, maar niet is vastgesteld dat dit is gebeurd met behulp van het thans inbeslaggenomen mes.

8.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een vergoeding van € 4.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
Immateriële schade
Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat hij als gevolg van de gedragingen van verdachte nadelige (lichamelijk en psychische) gevolgen heeft ondervonden. Hij had drie steekwonden die gehecht moesten worden. Hij heeft daaraan blijvende littekens overgehouden. Ook voelt hij zich nog altijd erg onveilig en angstig.
De rechtbank is van oordeel dat het lichamelijk letsel dat de benadeelde partij door het handelen van verdachte heeft opgelopen, zonder meer een grondslag vormt voor de toewijzing van zijn vordering tot immateriële schade. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank vergoeding van een bedrag van € 2.000,- billijk. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 14 maart 2025.
SchadevergoedingsmaatregelDe rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het primair ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

subsidiair: poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 54 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan
de benadeelde partij [slachtoffer]van
€ 2.000,-aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 14 maart 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
20 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
* 1 STK mes (PL2000-2025064905-G2838293, zwart, merk: LAGUIOLE).
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos, voorzitter,
en mr. V.M. Schotanus en mr. E.B. Prenger, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Bos, griffier,
en is uitgesproken ter de openbare zitting op 18 februari 2026.
De voorzitter en de oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
hij op of omstreeks 14 maart 2025 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk en
met voorbedachten rade
van het leven te beroven,
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in de hals
en/of borst, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
( art 289 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 maart 2025 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven,
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in de hals
en/of borst, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
( art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een
veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 maart 2025 te [plaats]
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes in de hals
en/of borst, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )