ECLI:NL:RBZWB:2026:999

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
02-223375-25 en 02-215085-19 (tul)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor (poging) diefstal door listige kunstgrepen en gebruik valse sleutels

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft verdachte veroordeeld voor meerdere feiten van diefstal en poging tot diefstal gepleegd in de periode van 15 juli tot en met 9 augustus 2025 in Breda en Waalwijk. Verdachte benaderde voornamelijk oudere slachtoffers aan huis en maakte gebruik van listige kunstgrepen en valse sleutels om geld, bankpassen en andere goederen te stelen.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van bekennende verklaringen van verdachte en aangiften van slachtoffers. De geweldscomponent bij één diefstal werd niet bewezen verklaard, waardoor verdachte daarvan partieel werd vrijgesproken. Verdachte heeft een fors strafblad en een patroon van recidive, mede veroorzaakt door een cocaïneverslaving en persoonlijkheidsstoornissen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 48 maanden op, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals klinische opname en ambulante behandeling. Tevens werden schadevergoedingen aan de benadeelde partijen toegewezen, met wettelijke rente en gijzelingsmaatregelen bij niet-betaling. De voorwaardelijke straf uit een eerdere zaak werd ten uitvoer gelegd wegens nieuwe strafbare feiten binnen de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met schadevergoedingen aan slachtoffers en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummers: 02-223375-25 en 02-215085-19 (tul)
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 februari 2026
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1974,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [locatie] ,
raadsman mr. B.J.P. van Gils, advocaat te Tilburg.

1.Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 februari 2026, waarbij de officier van justitie mr. L.J. den Braber en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:in de periode van 15 juli 2025 tot en met 9 augustus 2025 onder meer geld en
(bank)passen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] ,
[slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] , [slachtoffer 6] , [slachtoffer 7] , [slachtoffer 8] ,
[slachtoffer 9] , [slachtoffer 10] , [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] heeft
gestolen door middel van oplichting;
feit 2:op 3 augustus 2025 onder meer geld en (bank)passen van [slachtoffer 14] heeft gestolen, terwijl hij daarbij geweld heeft gebruikt;
feit 3:op 27 juli 2025 heeft geprobeerd een portemonnee (met inhoud) van [slachtoffer 15] te stelen door middel van oplichting;
feit 4:op 6 augustus 2025 geld heeft gestolen van [slachtoffer 10] , met gebruikmaking van
de door diefstal verkregen bankpas.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak voor de geweldscomponent onder feit 2. Voor al het overige wordt geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Aangezien verdachte voor dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 4 februari 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 26 juli 2025, pagina 49, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 27 juli 2025, pagina 93, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 26 juli 2025, pagina 59, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] van 15 juli 2025, pagina 25, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] van 31 juli 2025, pagina 118, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] van 31 juli 2025, pagina 113, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 7] van 2 augustus 2025, pagina 126, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 8] van 6 augustus 2025, pagina 134, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 9] van 7 augustus 2025, pagina 40, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 10] van 8 augustus 2025, pagina 139, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 11] van 9 augustus 2025, pagina 44, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 12] van 16 augustus 2025, pagina 104, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 13] van 14 augustus 2025, pagina 100, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991.
Feit 2
Verdachte wordt verweten dat hij de portemonnee met inhoud van [slachtoffer 14] heeft weggenomen door de portemonnee van [slachtoffer 14] uit haar tas te pakken, waarna een worsteling is ontstaan en verdachte de portemonnee (onverhoeds) uit de handen van [slachtoffer 14] heeft getrokken. Uit de aangifte van [persoon] namens [slachtoffer 14] volgt dat verdachte de portemonnee van [slachtoffer 14] uit haar tas greep, dat [slachtoffer 14] probeerde haar portemonnee uit de handen van verdachte te trekken en dat zij, toen dat niet lukte, aan de bagagedrager van verdachte trok. Verdachte kwam daardoor bijna ten val en verschillende pasjes vielen uit de portemonnee. Verdachte kon de portemonnee wel vasthouden en nam de portemonnee met de rest van de inhoud mee.
De rechtbank is van oordeel dat de uitvoeringshandelingen zoals beschreven in de tenlastelegging niet volledig uit de aangifte kunnen worden afgeleid en dat de geweldscomponent, zoals deze ten laste is gelegd, niet uit het dossier volgt. Zij spreekt verdachte dan ook hiervan partieel vrij. De diefstal van de portemonnee (met inhoud) van [slachtoffer 14] acht zij gelet op de aangifte en de op dat punt bekennende verklaring van verdachte wel wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Aangezien verdachte voor dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 4 februari 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 15] van 13 augustus 2025, pagina 78, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991.
Feit 4
Aangezien verdachte voor dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 4 februari 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 10] van 8 augustus 2025, pagina 139, van het einddossier met dossiernummer PL2000-2025198991.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1
op tijdstippen in de periode van 15 juli 2025 tot en met 9 augustus 2025 te Breda en Waalwijk meermalen goederen die aan anderen dan verdachte toebehoorden, te weten:
- een geldkistje (met inhoud, te weten een contant geldbedrag van 100 euro en een sleutelbos en een identiteitskaart) en een contant geldbedrag van 26,50 euro, toebehorende aan [slachtoffer 1] , en
- een portemonnee (met inhoud, te weten diverse (bank)passen en een contant geldbedrag van 40 euro) en een telefoon, toebehorende aan [slachtoffer 2] , en
- een handtas en een portemonnee (met inhoud, te weten (bank)passen), toebehorende aan [slachtoffer 3] , en
- een portemonnee (met inhoud, te weten (bank)passen en een contant geldbedrag van 50 euro), toebehorende aan [slachtoffer 4] , en
- een portemonnee (met inhoud, te weten (bank)passen, toebehorende aan [slachtoffer 5] , en
- een iPhone, toebehorende aan [slachtoffer 6] , en
- een portemonnee (met inhoud, te weten een bankpas en een contant geldbedrag van 50 euro), toebehorende aan [slachtoffer 7] , en
- een portemonnee (met inhoud, te weten (bank)passen en een contant geldbedrag van 25 euro), toebehorende aan [slachtoffer 8] , en
- een portemonnee, toebehorende aan [slachtoffer 9] , en
- een portemonnee (met inhoud, te weten een (bank)pas), toebehorende aan [slachtoffer 10] , en
- een portemonnee (met inhoud, te weten (bank)passen en een contant geldbedrag van 40 euro), toebehorende aan [slachtoffer 11] , en
- een portemonnee (met inhoud, te weten (bank)passen en een contant geldbedrag van 60 euro), toebehorende aan [slachtoffer 12] , en
- een contant geldbedrag van 210 euro, toebehorende aan [slachtoffer 13] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, door (telkens) in strijd met de waarheid mede te delen
- dat hij, al dan niet met zijn ouders, een (auto)ongeluk heeft gehad en/of
- gebruik wenst te maken van de telefoon en/of
- een glas water wil en/of
- dat hij wel wil terugbetalen, maar dat hij alleen een briefje van 200 euro bij zich heeft en dat hij het (wissel)geld zo komt brengen;
feit 2
op 3 augustus 2025 te Breda een portemonnee (met inhoud, te weten (bank)passen en een contant geldbedrag van 40 euro), die aan [slachtoffer 14] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 3
op 27 juli 2025 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een portemonnee (met inhoud) die aan [slachtoffer 15] toebehoorde, weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dit goed onder zijn bereik te brengen door middel van door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, door (telkens) in strijd met de waarheid mede te delen
- dat hij, al dan niet met zijn ouders, een (auto)ongeluk heeft gehad en
- gebruik wenst te maken van de telefoon en
- een glas water wil
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 4
op of omstreeks 6 augustus 2025 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 1000 euro dat aan [slachtoffer 10] toebehoorde met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat goed onder zijn bereik heft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van een gestolen pinpas.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Zij vordert daarnaast aan de proeftijd de bijzondere voorwaarden te koppelen zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt de rechtbank om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen met aftrek van voorarrest met een lager onvoorwaardelijk deel dan geëist door de officier van justitie en een hoger voorwaardelijk deel.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan (poging) diefstal door middel van oplichting van ouderen. Hij heeft de slachtoffers aan huis benaderd, vertelde een ongeluk te hebben gehad en vroeg of hij binnen in hun woning mocht bellen, waarna verdachte op slinkse wijze onder meer portemonnees met daarin geld en (bank)passen heeft bemachtigd. In één geval heeft verdachte ook een gestolen bankpas gebruikt om geld van de bankrekening van het slachtoffer op te nemen. Het is extra kwalijk dat verdachte bewust oudere mensen tot slachtoffer heeft gemaakt en misbruik heeft gemaakt van hun kwetsbaarheid. Verdachte heeft de slachtoffers niet alleen financiële schade toegebracht, maar ook hun gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens ernstig geschaad. Daarnaast heeft verdachte enkel uit financieel gewin gehandeld om zijn drugsverslaving te bekostigen en zich niet bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte een fors strafblad heeft, dat sprake is van recidive ten aanzien van vermogensdelicten en dat hij de feiten in onderhavige zaak heeft gepleegd in een proeftijd.
Uit het reclasseringsrapport van 29 januari 2026 volgt dat bij verdachte sprake is van een delictpatroon. De reclassering ziet financiën, middelengebruik en verslaving als direct delictgerelateerde factoren. Het ontbreekt verdachte aan een stabiele maatschappelijke basis. Zo beschikt hij niet over een (stabiel) en toereikend inkomen, ontbreekt huisvesting en is er sprake van schulden. Verdachte functioneert op een beneden gemiddeld tot laaggemiddeld intelligentieniveau. Daarnaast is sprake van een cocaïneverslaving en een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, in combinatie met delictgedrag. Tijdens de laatste behandeling van verdachte in 2025 kwam zijn gokgedrag aan het licht, wat gepaard ging met een groot gebrek aan openheid en eerlijkheid. Daarnaast was sprake van bedrog en manipulatie, wat heeft geleid tot een gebrek aan samenwerking. Daardoor is tijdens de laatste behandeling van verdachte onvoldoende risicovermindering opgetreden, waardoor de risico’s op recidive en terugval in middelengebruik hoog zijn gebleven en een klinische behandeling geïndiceerd blijft. De reclassering heeft geen zicht gekregen op beschermende factoren, maar mogelijk hebben het geloof en de dochter van verdachte een positief effect op zijn motivatie voor gedragsverandering. Ondanks de pro-criminele houding van verdachte en vele eerdere mislukte trajecten, acht de reclassering een klinische opname met aansluitend een begeleidde woonvorm noodzakelijk om de kans op recidive te verlagen. Door de recente diagnostiek en de adviezen vanuit de [kliniek] , in combinatie met de recente motivatie tot gedragsverandering die verdachte uitspreekt, acht de reclassering een laatste kans wenselijk. Zij adviseert de rechtbank om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een klinische opname, ambulante behandeling, begeleid wonen en beheersing van het middelengebruik. Tevens acht de reclassering het noodzakelijk dat binnen dit traject wordt toegewerkt naar budgetbeheer en indien nodig schuldhulpverlening. Er heeft op 26 januari 2026 reeds een aanmelding voor een klinische opname plaatsgevonden.
Strafoplegging
Bij de strafoplegging betrekt de rechtbank de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) die gelden voor insluiping, omdat deze oriëntatiepunten het beste aansluiten bij de omschreven bewezenverklaarde delicten. Deze gaan per insluiping uit van een gevangenisstraf van twee maanden en bij recidive van drie maanden. De rechtbank hanteert dan ook drie maanden per insluiping als uitgangspunt. De rechtbank neemt in de strafoplegging verder mee dat verdachte veel slachtoffers heeft gemaakt en dat deze slachtoffers ouderen, kwetsbare personen, zijn. Verdachte heeft al veel kansen gehad, maar de rechtbank acht het van belang dat de maatschappij tegen hem wordt beschermd. De rechtbank acht een straf met een voorwaardelijk deel dan ook van belang, om ervoor te zorgen dat verdachte na het uitzitten van zijn straf niet meer terugvalt in delictgedrag. Op de langere termijn is de maatschappij daarbij beter gebaat. Ondanks dat de rechtbank de bewezenverklaarde feiten voor wat betreft feit 2 anders kwalificeert dan de officier van justitie, acht zij de strafeis passend en geboden en legt zij aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

7.1.
Benadeelde partij [slachtoffer 4]
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert een schadevergoeding van € 152,- aan materiële schade voor feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat de schade in een voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Nu deze kosten niet zijn betwist, wijst de rechtbank de vordering toe.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 15 juli 2025.
7.2.
Benadeelde partij [slachtoffer 6]
De benadeelde partij [slachtoffer 6] vordert een schadevergoeding van € 543,98 aan materiële schade voor feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat de schade in een voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Nu deze kosten niet zijn betwist, wijst de rechtbank de vordering toe.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 31 juli 2025.
7.3.
Benadeelde partij [slachtoffer 10]
De benadeelde partij [slachtoffer 10] vordert een schadevergoeding van € 1.092,- aan materiële schade voor feiten 1 en 4.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat de schade in een voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Nu deze kosten niet zijn betwist, wijst de rechtbank de vordering toe.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 6 augustus 2025.
7.4.
Benadeelde partij [slachtoffer 11]
De benadeelde partij [slachtoffer 11] vordert een schadevergoeding van € 78,50 aan materiële schade voor feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat de schade in een voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Nu deze kosten niet zijn betwist, wijst de rechtbank de vordering toe.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 25 juli 2025.
7.5.
Benadeelde partij [slachtoffer 13]
De benadeelde partij [slachtoffer 13] vordert een schadevergoeding van € 190,- aan materiële schade voor feit 1.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat de schade in een voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Nu deze kosten niet zijn betwist, wijst de rechtbank de vordering toe.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 29 juli 2025.
7.6.
Benadeelde partij [slachtoffer 15]
De benadeelde partij [slachtoffer 15] vordert een schadevergoeding van € 1.000,- aan immateriële schade voor feit 3.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat de schade in een voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Nu deze kosten niet zijn betwist, wijst de rechtbank de vordering toe.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 27 juli 2025.
7.7.
Benadeelde partij [slachtoffer 14]
De benadeelde partij [slachtoffer 14] vordert een schadevergoeding van € 150,- aan materiële schade voor feit 2.
De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden. De rechtbank is van oordeel dat de schade in een voldoende verband staat met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Nu deze kosten niet zijn betwist, wijst de rechtbank de vordering toe.
Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd, te weten 3 augustus 2025.
7.8.
De schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal tevens ten aanzien van alle toegewezen vorderingen tot schadevergoeding de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.

8.De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 september 2020, parketnummer 02-215085-19 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.Beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1:diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft
gebracht door listige kunstgrepen, meermalen gepleegd;
feit 2:diefstal;
feit 3:poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn
bereik heeft gebracht door listige kunstgrepen/een samenweefsel van
verdichtsels;
feit 4:diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft
gebracht door middel van valse sleutels;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
Meldplicht
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich na uitnodiging bij Fivoor reclassering op het in de brief vermelde adres. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
Opname in zorginstelling
* dat verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd of voor hoelang dit noodzakelijk wordt geacht door de reclassering laat behandelen door een nader te bepalen instelling/behandelaar, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en schuldenproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig gebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
* dat verdachte gedurende de proeftijd of voor hoelang de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
Beheersing middelengebruik
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
Benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 4]van
€ 152,-aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] , € 152,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 15 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
1 dag gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 6]van
€ 543,98aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] , € 543,98 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 31 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
5 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij [slachtoffer 10] (feit 1 en 4)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 10]van
€ 1.092,-aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 10] , € 1.092,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 6 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
10 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij [slachtoffer 11] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 11]van
€ 78,50aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 11] , € 78,50 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 25 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
1 dag gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij [slachtoffer 13] (feit 1)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 13]van
€ 190,-aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 13] , € 190,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 29 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
1 dag gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij [slachtoffer 14] (feit 2)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 14]van
€ 150,-aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 14] , € 150,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 3 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
1 dag gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Benadeelde partij [slachtoffer 15] (feit 3)
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij
[slachtoffer 15]van
€ 1.000,-aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 15] , € 1.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 27 juli 2025 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling
10 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 25 september 2020 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-215085-19
ten uitvoer zal worden gelegd, te weten
een gevangenisstraf van 1 maand.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, en mr. J.F.C. Janssen en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 18 februari 2026.
Mr. Janssen, mr. Mullers en mr. Van Spelde zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
1
hij op of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 juli 2025 tot en met 9 augustus 2025 te Breda en/of Waalwijk, althans in Nederland meermalen, althans eenmaal (een) goed(eren) dat/die geheel of ten dele aan (een) ander(en) dan verdachte toebehoorde(n), te weten:
- een geldkistje (met inhoud, te weten onder meer een contant geldbedrag van 100 euro en/of een sleutelbos en/of een identiteitskaart) en/of een contant geldbedrag van 26,50 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , en/of
- een portemonnee (met inhoud, te weten onder meer diverse (bank)passen en een contant geldbedrag van 40 euro) en/of een telefoon, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , en/of
- een handtas en/of een portemonnee (met inhoud, te weten onder meer (bank)passen), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , en/of
- een portemonnee (met inhoud, te weten onder meer (bank)passen en een contant geldbedrag van 50 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , en/of
- een portemonnee (met inhoud, te weten onder meer (bank)passen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , en/of
- een iPhone, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , en/of - een portemonnee (met inhoud, te weten onder meer een bankpas en een contant geldbedrag van 50 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , en/of
- een portemonnee (met inhoud, te weten onder meer (bank)passen en een contant geldbedrag van 25 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 16] , en/of
- een portemonnee, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 9] , en/of
- een portemonnee (met inhoud, te weten onder meer een (bank)pas, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 10] , en/of
- een portemonnee (met inhoud, te weten onder meer (bank)passen en een contant geldbedrag van 40 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 11] , en/of
- een portemonnee (met inhoud, te weten onder meer (bank)passen en een contant geldbedrag van 60 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 12] , en/of
- een contant geldbedrag van 210 euro, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 13] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat/die goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, door (telkens) in strijd met de waarheid mede te delen
- dat hij, al dan niet met zijn ouders, een (auto)ongeluk heeft gehad en/of
- gebruik wenst te maken van de telefoon en/of
- een glas water wil en/of
- dat hij wel wil terugbetalen, maar dat hij alleen een briefje van 200 euro bij zich heeft en dat hij het (wissel)geld zo komt brengen;
( art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht )
2
hij op of omstreeks 3 augustus 2025 te Breda, althans in Nederland een portemonnee (met inhoud, te weten (bank)passen en een contant geldbedrag van 40 euro), in elk geval enig goed dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 14] , in elk geval aan een ander dan aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 14] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die portemonnee uit de tas van die [slachtoffer 14] te pakken, waarna een worsteling ontstaat en verdachte bovengenoemde portemonnee (onverhoeds) uit de hand(en) te trekken van die [slachtoffer 14] ;
( art 310 Wetboek Pro van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
3
hij op of omstreeks 27 juli 2025 te Breda, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een portemonnee (met inhoud), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 15] , in elk geval aan een ander toebehoorde, weg te
nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dit goed onder zijn bereik te brengen door middel van het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, door (telkens) in strijd met de waarheid mede te delen
- dat hij, al dan niet met zijn ouders, een (auto)ongeluk heeft gehad en/of
- gebruik wenst te maken van de telefoon en/of
- een glas water wil
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 310 Wetboek Pro van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht )
4
hij op of omstreeks 6 augustus 2025 te Breda, althans in Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 1000 euro, althans een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 10] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat goed onder zijn bereik heft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van een gestolen (pin)pas;
( art 311 lid 1 ahf Pro/sub 5 Wetboek van Strafrecht )