ECLI:NL:RBZWO:2000:AA5825
Rechtbank Zwolle
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A. Oosterveld
- M.I. Lammertsma-van der Heij
- M.A. Pach
- Rechtspraak.nl
Geen ruimte voor extensieve uitleg van artikel 16 lid 3 Werkloosheidswet bij fictieve opzegtermijn
Eiseres was sinds 15 maart 1995 in dienst bij haar werkgever. Op 1 februari 1999 werd haar arbeidsovereenkomst ontbonden met toekenning van een vergoeding. Verweerder stelde bij de WW-uitkering een fictieve opzegtermijn vast van 2 februari tot 1 april 1999, waarbij werd aangesloten bij de opzegtermijn van één maand uit artikel 7:672 lid 2 BW Pro en het voorschrift dat opzegging tegen het einde van de maand dient te geschieden.
Eiseres maakte bezwaar tegen deze fictieve opzegtermijn omdat zij meende dat ook de verkorting van de opzegtermijn op grond van artikel 7:672 lid 4 BW Pro in aanmerking genomen moest worden. De rechtbank oordeelde dat de tekst van artikel 16 lid 3 WW Pro slechts verwijst naar de opzegtermijn zoals bedoeld in artikel 7:672 lid 2 BW Pro en dat er geen ruimte is voor een extensieve uitleg die ook het eerste lid van artikel 7:672 BW Pro of de verkorting uit lid 4 zou omvatten.
De rechtbank stelde dat bij wetsbepalingen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de werknemer, terughoudendheid geboden is bij interpretatie. Daarom werd het besluit van verweerder vernietigd en werd hem opgedragen een nieuw besluit te nemen conform deze uitleg. Tevens werden de proceskosten en griffierecht aan eiseres vergoed.
Uitkomst: Het besluit van verweerder wordt vernietigd en hij dient een nieuw besluit te nemen conform een strikte uitleg van artikel 16 lid 3 WW.