ECLI:NL:RBZWO:2001:AB2147
Rechtbank Zwolle
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Th.A. Ariëns
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onrechtmatige daad tegen bestuurder, interim-manager en bank na faillissement visbedrijf
De zaak betreft een vordering van een visleverancier tegen de bestuurder van een visbedrijf, een interim-manager die tevens adviseur van de bank was, en de financierende bank zelf. De leverancier leverde visproducten in mei en juni 1997, maar bleef onbetaald voor een bedrag van ruim 600.000 gulden. Het visbedrijf werd op 2 juli 1997 failliet verklaard.
De leverancier stelde dat de bestuurders en de bank wisten of redelijkerwijs hadden moeten weten dat de onderneming niet aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen, en dat zij daardoor onrechtmatig hadden gehandeld. De interim-manager zou feitelijk leiding hebben gegeven aan het bedrijf en de bank zou zich intensief met de bedrijfsvoering hebben bemoeid.
De rechtbank oordeelde dat de bank geen onrechtmatig handelen kon worden verweten. De bank had een extra krediet verstrekt onder voorwaarde dat het crediteurenbestand niet hoger was dan een bepaald bedrag, en handelde in redelijkheid gezien de financiële nood. De interim-manager was weliswaar beleidsbepaler, maar had geen persoonlijk verwijt te maken omdat hij handelde in vertrouwen op het businessplan. De bestuurder had mogelijk tekortgeschoten in de administratie, maar er ontbraken schakels in de causaliteitsketen en de vordering was niet gericht op bescherming van de belangen van de leverancier.
De rechtbank wees de vordering af en veroordeelde de eiseres in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt de eiseres in de proceskosten.