Art. 2 WvgArt. 3 WvgArt. 5.3 Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente ZwolleArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing hogere tegemoetkoming vervoerskosten eigen auto strijdig met Wvg
Eiser, met een complexe medische problematiek en beperkte mobiliteit, verzocht de gemeente Zwolle om een hogere tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van zijn eigen auto. De gemeente had het bedrag verlaagd van 1827 gulden naar 320 gulden per jaar, uitsluitend bedoeld voor verplaatsingen binnen de gemeente over 500 km. Eiser stelde dat dit bedrag onvoldoende is om zijn sociale contacten en noodzakelijke verplaatsingen te onderhouden, waardoor vereenzaming dreigt.
De rechtbank beoordeelde of het besluit van de gemeente in overeenstemming was met de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de gemeentelijke verordening. De rechtbank stelde vast dat de gemeente de zorgplicht beperkt tot de gemeentegrenzen, terwijl het maatschappelijk verkeer ook contacten buiten de gemeente kan omvatten. Tevens concludeerde de rechtbank dat het forfaitaire bedrag onvoldoende is om in voldoende mate aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen, mede omdat het aantal kilometers te laag is en de vergoedingsnorm van 0,64 gulden per kilometer ontoereikend is voor iemand met een laag inkomen.
De rechtbank oordeelde dat artikel 5.3 van de verordening niet van toepassing is op eiser wegens strijd met artikel 2 enPro 3 van de Wvg. Het bestreden besluit werd vernietigd en de gemeente opgedragen opnieuw te beslissen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens werd de gemeente veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het besluit van de gemeente Zwolle om een hogere tegemoetkoming in vervoerskosten af te wijzen is vernietigd en de gemeente is opgedragen opnieuw te beslissen.
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE
Sector Bestuursrecht
Meervoudige Kamer
Reg.nr.: AWB 00/9008 WVG
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A, wonende te B, eiser,
gemachtigde: mr. H.A. van der Kleij, advocaat en procureur, Bureau voor Rechtshulp Zwolle,
en
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zwolle, verweerder,
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 18 oktober 2000, waarbij is gehandhaafd het besluit van 15 december 1999, inhoudende een afwijzing van een verzoek om een hogere tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Verweerder heeft bij schrijven van 14 juli 1999 eiser in kennis gesteld van het besluit van de gemeenteraad van Zwolle om ingaande 1 januari 2000 de financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) te verlagen tot f 320,- per jaar, onder de mededeling dat een hogere tegemoetkoming kan worden gevraagd indien men meent daarvoor in aanmerking te komen.
Eiser heeft verweerder op 29 augustus 1999 om een hogere tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de eigen auto verzocht.
Bij besluit d.d. 15 december 1999 heeft verweerder dit verzoek afgewezen.
Namens eiser is tegen dit besluit een voorlopig bezwaarschrift d.d. 3 januari 2000, aangevuld bij schrijven d.d. 9 maart 2000, ingediend.
Bij besluit d.d. 7 april 2000 heeft verweerder bij wijze van overgangsmaatregel besloten aan eiser over de periode van 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2000 boven de reeds aan hem toegekende tegemoetkoming in de vervoerskosten een extra financiële tegemoetkoming in zijn vervoerskosten te verstrekken, bestaande in een eenmalige bijdrage van f 365,26.
Ook tegen dit besluit is namens eiser een bezwaarschrift, gedateerd 8 mei 2000, ingediend.
Eiser is op 1 augustus 2000 in de gelegenheid gesteld om tijdens een hoorzitting van de Adviescommissie bezwaarschriften over zijn bezwaren te worden gehoord.
Hiervan is door eiser en zijn gemachtigde gebruik gemaakt.
Bij het bestreden besluit van 18 oktober 2000 heeft verweerder de bezwaren van eiser gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.
Namens eiser is tegen dit besluit op 24 november 2000 beroep ingesteld.
Bij brief d.d. 19 februari 2001 heeft de rechtbank verweerder verzocht enige vragen te beantwoorden, respectievelijk enige stukken te overleggen.
Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief d.d. 2 maart 2001, verzonden 13 maart 2001. Op laatstgenoemde datum is ook een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is op 20 maart 2001 ter zitting van de meervoudige kamer behandeld.
Eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote en bijgestaan door zijn gemachtigde.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. R.W.M. Peeters en W. Vinke , respectievelijk chef van de sectie Vorderingen en Verhaal en chef bureau Voorzieningen Gehandicapten van de gemeente Zwolle.
3. Motivering
In geding is de vraag of het besluit om eiser, na een overgangsperiode, per 1 januari 2001 niet in aanmerking te brengen voor een hogere tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto dan f 320,- per jaar in rechte stand kan houden.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze laatste vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij eiser is sprake van een complexe medische problematiek. Hij lijdt aan een combinatie van problemen betreffende zijn hart, longen en bloedvaten. In verband met benauwdheid moet hij continu zuurstof uit een zuurstoffles gebruiken. Eiser heeft vanwege ademhalingsproblemen last in ruimtes waarin wordt gerookt. Voorts is er bij eiser sprake van aanhoudende diarreeklachten. Eiser heeft een beperkte loopafstand (50 à 75 m) en fietsen is onmogelijk. Eiser heeft voor zijn vervoer de beschikking over een eigen auto. Hij heeft contacten zowel in de gemeente Zwolle als daarbuiten.
Tot 1 januari 2000 heeft eiser een tegemoetkoming ontvangen in de kosten van het gebruik van een eigen auto ad f 1827,00 per jaar.
Bij raadsbesluit d.d. 12 juli 1999 heeft de gemeente Zwolle in het kader van een bezuinigingsmaatregel besloten ingevolge de Wvg per 1 augustus 1999 geen vergoeding meer te verstrekken voor verplaatsingen buiten de gemeente Zwollle, nu op grond van genoemde wet voor zodanige verplaatsingen voor de gemeente geen zorgplicht bestaat en de vervoersbehoefte forfaitair te stellen op 500 km per jaar.
In dit kader is met ingang van januari 2000 de Verordening voorzieningen gehandicapten van de gemeente Zwolle (verder te noemen de Verordening) zodanig gewijzigd dat voor gehandicapten die van een eigen auto gebruik maken het bedrag van f 1827,00 per jaar, welk bedrag deels was bestemd voor interlokale en boven-regionale verplaatsingen, teruggebracht naar een bedrag van f 320,- per jaar, zijnde uitsluitend bedoeld voor verplaatsingen in de gemeente Zwolle over een afstand van 500 km.
In het kader van een bij besluiten d.dis. 7 april 2000 en 18 oktober 2000 vastgestelde overgangsbijdrage is aan eiser over de eerste twee kwartalen van 2000 nog 75% van het oude bedrag ( f 1872,00 ) en over de laatste twee kwartalen van 2000 nog 40% van dit bedrag betaald, waarmee het in 2000 te ontvangen bedrag komt op f 1050,52.
3.1. Wettelijk kader
Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Wvg draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening.
Ingevolge artikel 3 vanPro de WVG biedt het gemeentebestuur verantwoorde voorzieningen aan. Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend.
In artikel 5.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening, zoals deze luidt na 1 augustus 1999, is bepaald dat de vergoeding voor het gebruik van een eigen auto (die niet is aangepast voor rolstoelvervoer) f 320,- per kalenderjaar bedraagt.
Ingevolge artikel 5.3, tweede lid, van de Verordening kan, in afwijking van het eerste lid van dit artikel de vergoeding op een hoger bedrag worden vastgesteld, indien de gehandicapten contacten heeft buiten de gemeente Zwolle en hij deze contacten slechts kan onderhouden door daar zelf op bezoek te gaan en er zonder deze contacten voor de gehandicapte vereenzaming dreigt .
3.2. Standpunt eiser
Namens eiser is aangevoerd dat het aantal van 500 km per jaar veel te gering is en niet blijft binnen de grenzen van de terzake bestaande beleidsruimte van de gemeente. In dit verband verwijst de gemachtigde naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 maart 2000 gepubliceerd in USZ 2000/128 waaruit blijkt dat zelfs een voorziening van 1000 km per jaar niet als een verantwoorde voorziening in de zin van artikel 3 WVGPro kan worden aangemerkt. Met een toekenning van f 320,00 per jaar voldoet verweerder dan ook niet aan haar wettelijke zorgplicht.
Voorts heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat voor wat betreft de prijs van f 0,64 per km is aangesloten bij de Wet REA waarbij geen rekening is gehouden met het huidige kostenpeil. Dit houdt in dat met f 320,00 geen 500 reiskilometers bekostigd kunnen worden.
Verweerder heeft naar de mening van eiser onvoldoende rekening gehouden met diens individuele omstandigheden. Door eisers hart- en benauwdheidsklachten kan eiser nog maar weinig ondernemen. Veel vroegere hobby’s zijn voor eiser onuitvoerbaar geworden, in verband waarmee uitstapjes in de natuur (bossen) voor hem van wezenlijk belang zijn. Nu de toegekende vervoerskostenvergoeding voor hem niet toereikend is om ook die uitstapjes te kunnen bekostigen, dreigt voor hem dan ook vereenzaming en bestaansverschraling.
Tenslotte is namens eiser aangevoerd dat hij op grond van zijn aandoeningen slechts korte afstanden kan lopen en niet kan fietsen, waardoor hij voor alle activiteiten buitenshuis is aangewezen op het gebruik van de eigen auto. Dit levert hem in verhouding tot gezonde mensen, die korte afstanden lopend of fietsen, op jaarbasis veel meerkosten op. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep mag van de gemeente worden verlangd dat er ten behoeve van de categorie gehandicapten met een uiterst beperkte mobiliteit (100 meter) mede wordt zorggedragen voor vervoersvoorzieningen gericht op verplaatsingen tot enkele honderden meters. In dit kader kan worden gedacht aan een aanvullende financiële tegemoetkoming ter dekking van de extra kosten voor verplaatsingen over enkele honderden meters.
3.3. Standpunt verweerder
Verweerder heeft ten aanzien van de teruggang van f 1827,- per jaar naar f 320,- per jaar aangevoerd dat vanwege financiële problemen met het Wvg-budget door de Raad is besloten bezuinigingsmogelijkheden te zoeken.
Een andere aanleiding is geweest het gegeven dat inmiddels het zogenaamde TRAXX-systeem operationeel is, dat erin voorziet dat gehandicapten, met hulp bij de transfers, per openbaar vervoer en anders per taxi interlokaal en bovenregionaal kunnen reizen tegen de normale tarieven van het openbaar vervoer.
In dit verband is aansluiting gezocht bij de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, inhoudende dat de Wvg-zorgplicht in het kader van vervoer uitsluitend betrekking heeft op het vervoer in de directe woon- en leefomgeving van de gehandicapte. Alleen in het uitzonderlijke geval dat de gehandicapte in zijn/haar directe woon- en leefomgeving niet of nauwelijks over contacten beschikt en er sprake is van een contact buiten de regio, dat niet bij de gehandicapte op bezoek kan komen, terwijl zonder het onderhouden van dat contact vereenzaming dreigt, bestaat wel een zorgplicht voor de gemeente.
In casu is hiervan geen sprake. Niet alleen heeft eiser in B wonende familieleden en kennissen, die hem regelmatig bezoeken, ook kan hij bij hen op bezoek gaan. Alleen al om deze reden is bij eiser geen sprake van een dreigende vereenzaming in de zin van terzake bestaande jurisprudentie van de Centrale raad van Beroep. Ook is ten aanzien van de buiten B bestaande contacten niet aangetoond dat van een zodanige situatie wel sprake is. Het feit dat het maken van uitstapjes naar de bossen voor eiser van groot belang is, kan hieraan niet afdoen, nu bij vereenzaming dient te worden gedacht aan intermenselijke contacten.
Uitgaande van een bedrag van f 0,64 per kilometer betekent dit dat met een bedrag van f 320,- per jaar 500 kilometers kunnen worden verreden. Dit bedrag is uitsluitend bedoeld ter bestrijding van de meerkosten die eiser als gehandicapte moet maken omdat het openbaar vervoer voor eiser niet toegankelijk is. Dit houdt in dat dit bedrag niet bedoeld is om een aantal kilometers geheel te vergoeden, maar slechts als tegemoetkoming hierin. Immers ook andere, niet gehandicapte Nederlanders maken kosten in verband met vervoer en krijgen daar geen vergoeding voor.
Voor de vaststelling van dit aantal kilometers heeft de gemeente aansluiting gezocht bij het door de Centrale raad van Beroep gehanteerde aantal kilometers in geval sprake is van een taxikostenvergoeding. Als met een taxi 500 kilometers als minimaal adequaat wordt beoordeeld, dan kan dat ook bij een eigen auto een uitgangspunt zijn.
Voor het bedrag van f 0,64 per km is aansluiting gezocht bij het bedrag dat in het kader van de Wet reïntegratie gehandicapten wordt vergoed voor het gebruik van de eigen auto. Ook berekeningen van de ANWB voor een volledige vergoeding (vaste en variabele kosten) komen uit op ongeveer eenzelfde bedrag (f 0,65 per km).
Nu ook voor mensen met een laag inkomen, waaronder eiser, een auto als een min of meer algemeen gebruikelijk zaak moet worden beschouwd en het uitsluitend om een tegemoetkoming gaat in de noodzakelijke extra verplaatsingen die de gehandicapte ten gevolge van diens handicap heeft, is een bedrag van f 320,- per jaar dan ook niet als onredelijk aan te merken, zeker nu het bij verplaatsingen in de eigen gemeente om beperkte meerkosten gaat.
Overigens zal worden onderzocht of voor eiser, bij wie sprake is van een loopafstand van minder dan 100 meter, een passende oplossing voor de korte afstanden kan worden gevonden.
3.4. Beoordeling van het beroep
Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd aan eiser een hogere tegemoetkoming in zijn vervoerskosten toe te kennen dan f 320,- per jaar.
Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de beantwoording van twee andere vragen, te weten
1) is er bij eiser sprake van de situatie dat hij in zijn directe woon- en leefomgeving niet of nauwelijks over contacten beschikt en is er sprake van een contact buiten de regio, dat niet bij hem op bezoek kan komen, terwijl zonder het onderhouden van dat contact vereenzaming dreigt;
2) is overigens het toegekende bedrag zodanig dat daarmee in eisers geval voldoende invulling is gegeven aan de op verweerder rustende zorgplicht ingevolge de Wvg.
De rechtbank beantwoordt de eerste vraag ontkennend, aangezien gesteld noch gebleken is dat eiser, wil hij niet in een sociaal isolement terecht komen, aangewezen is op één of meer contacten buiten de gemeente Zwolle
Bij de beantwoording van de tweede vraag gaat de rechtbank uit van de door verweerder niet weersproken stelling van eiser dat hij om medische redenen geen gebruik kan maken van het collectief vervoer en neemt de rechtbank in aanmerking het bedrag dat na de afbouwregeling in 2000, ingaande 2001 resteert, te weten f 320,- per jaar.
De raad heeft dat bedrag gekozen, er vanuit gaande dat daarmee à f 0,64 per km op jaarbasis 500 km kan worden gereden. Blijkens de stukken is daarbij gezocht naar de ondergrens van wat nog kan worden aangemerkt als een aanvaardbare invulling van de Wvg-zorgplicht op het gebied van de vervoersvoorzieningen.
Tegen deze achtergrond wil de rechtbank in de eerste plaats het volgende opmerken.
Zolang de verstrekte tegemoetkoming van een hoogte is die het kennelijk (gelet op het uitblijven van bezwaren en klachten of anderszins negatieve signalen) voor alle of veruit de meeste betrokkenen mogelijk maakt daarmee in voldoende mate sociale contacten te onderhouden kan als regel worden uitgegaan van de aanname dat het forfaitaire bedrag in het concrete geval toereikend is.
Op het moment dat die tegemoetkoming wordt verlaagd, zoals in dit geval, tot minder dan 20% van het oorspronkelijke bedrag en, volgens de bedoeling van verweerder, op of nabij de grens ligt van hetgeen in het kader van een verantwoorde uitvoering van de Wvg mogelijk is, zullen zich meer gevallen voordoen waarin dat bedrag niet toereikend blijkt te zijn. De eis van een zorgvuldige besluitvorming brengt dan mee dat wordt nagegaan of in het individuele geval het forfaitaire bedrag toereikend is voor de betrokkene om in voldoende mate deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer. Zodanig onderzoek heeft alleen zin als de voorschriften erin voorzien dat een hogere vergoeding wordt toegekend dan het forfaitaire bedrag indien daarvoor goede redenen zijn. De Verordening kent een dergelijke bepaling echter niet , zodat met de vraag naar de rechtmatigheid van het door verweerder genomen besluit tevens de vraag voorligt of de Verordening zich op dit punt verdraagt met het bepaalde in de Wvg.
Ter beantwoording van deze vraag zal de rechtbank de juistheid bezien van de aan artikel 5.3, eerste lid van de Verordening ten grondslag liggende premissen, te weten
a. dat de Wvg-zorgplicht niet verder reikt dan de gemeentegrenzen en
b. dat het met f 320,- per jaar voor een gehandicapte in Zwolle mogelijk is in voldoende mate deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer.
Met betrekking tot de territoriale reikwijdte van de Wvg-zorgplicht stelt de rechtbank vast dat verweerder het in de jurisprudentie gehanteerde begrip “directe woon- en leefomgeving” heeft vertaald met “het gebied binnen de gemeentegrenzen” en zulks op grond van de overweging dat alle primaire en secundaire voorzieningen in Zwolle aanwezig zijn. In veel gevallen zal die gelijkstelling wellicht opgaan maar in andere gevallen niet. Heel goed denkbaar is dat het leven van alle dag van een gehandicapte zich deels afspeelt in een nabij Zwolle gelegen plaats, bijvoorbeeld omdat daar veel familie woont of omdat de gehandicapte daar zelf heeft gewoond en hij daar nog veel sociale contacten heeft. Het kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer houdt meer in dan het kunnen bereiken van de noodzakelijk voorzieningen.
Gelet op de grote aantallen Wvg-gerechtigden is ter wille van een werkbare uitvoeringspraktijk wellicht te verdedigen dat verweerder in beginsel uitgaat van de aanname dat het leven van alle dag van de betrokkene zich in de gemeente Zwolle afspeelt. Wanneer deze echter stelt met het toegekende bedrag niet voldoende zijn sociale contacten te kunnen onderhouden is het aan verweerder om te onderzoeken of die aanname ook in dat geval opgaat en vervolgens, indien er inderdaad voor het leven van alledag van belang zijnde contacten buiten Zwolle zijn, te bezien of het TRAXX-vervoer daarin kan voorzien. Dat laatste zal niet het geval zijn bij diegenen die niet per taxi kunnen reizen.
Ten aanzien van eiser is vastgesteld dat hij wel bestemmingen buiten Zwolle heeft maar dat het daarbij met name gaat om bestemmingen in de natuur. Dergelijke uitstapjes, hoe belangrijk ook voor het welbevinden, vallen niet onder de Wvg-zorgplicht nu die wet beoogt de belemmeringen te verminderen die de gehandicapte ondervindt in het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.
Vervolgens behoeft bespreking de vraag of het met f 320,- per jaar voor een gehandicapte in Zwolle mogelijk is in voldoende mate deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer.
Deze vraag lost zich op in twee andere, te weten de vraag of met het aantal van 500 reiskilometers per jaar in voldoende mate kan worden deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer en de vraag of met f 320,- per jaar 500 km kan worden gereden.
Verweerder heeft de eerste vraag bevestigend beantwoord met een beroep op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en stelt daaruit te kunnen afleiden dat met een vergoeding, goed voor 500 km, voldoende in de vervoersbehoefte is voorzien.
De rechtbank kan verweerder daarin niet volgen. In de eerste plaats omdat een dergelijke conclusie in de door verweerder aangehaalde uitspraken nergens met zoveel woorden wordt getrokken en in de tweede plaats omdat, voor zover de Centrale Raad in die uitspraken al vergoedingen voor circa 500 taxikilometers heeft geaccordeerd, het daarbij ging om vergoedingen die ook voor de eigen auto mochten worden gebruikt of om mee te rijden met derden dan wel werden verstrekt in combinatie met andere voorzieningen.
Veeleer dan op zoek te gaan naar een minimum aantal te vergoeden kilometers zou in het kader van de Wvg bezien moeten worden hoeveel contacten een gehandicapte zou moeten kunnen onderhouden wil er nog sprake zijn van voldoende deelname aan het maatschappelijk verkeer. Daarbij geldt uiteraard volgens vaste jurisprudentie dat niet alle wensen gehonoreerd behoeven te worden en dat van de gehandicapte verlangd mag worden zich wat betreft zijn mobiliteit beperkingen te getroosten.
Blijkens het verhandelde ter zitting gaat verweerder er vanuit dat met een verplaatsing binnen Zwolle een afstand van 4 à 5 km gemoeid zal zijn. Dat betekent dat, uitgaande van een heen- en terugrit, met een vergoeding voor 500 km ongeveer 50 bezoeken per jaar kunnen worden afgelegd. Dat wil zeggen dat de gehandicapte met de Wvg-vergoeding eenmaal per week er op uit kan.
De rechtbank is van oordeel dat aldus, zeker ten aanzien van een gehandicapte zoals eiser die voor nagenoeg elke verplaatsing buitenshuis is aangewezen op een vervoermiddel, niet meer wordt voldaan aan de eis dat in voldoende mate kan worden deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer, ook als er vanuit wordt gegaan dat de gehandicapte daarnaast zelf ook op eigen kosten ritten zal maken, omdat immers elke Nederlander vervoerskosten heeft, en ook als in beschouwing wordt genomen dat de gehandicapte zelf ook bezoek kan ontvangen.
Verweerder heeft niet door onderzoek aangetoond dat voor eiser deze conclusie niet zou opgaan bijvoorbeeld omdat hij met het toegekende bedrag een aanzienlijk groter aantal contacten zou kunnen onderhouden, nu hij daarvan beduidend kortere afstanden hoeft af te leggen.
Derhalve moet worden geoordeeld dat de vaststelling dat het aantal kilometers waarvoor de Verordening beoogt een vergoeding te geven in het algemeen niet toereikend is om in voldoende mate aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen ook geldt in het geval van eiser.
Bij de beantwoording van de tweede vraag, te weten of met f 320,- per jaar 500 km kan worden gereden, is cruciaal de in de Verordening gehanteerde aanname dat een eigen auto algemeen gebruikelijk is, ook voor de laagste inkomenscategorieën. Verweerder stelt zich blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat er van uit gegaan mag worden dat elke gehandicapte over een auto beschikt, zodat alleen iets gedaan behoeft te worden aan de meerkosten. Ter zitting is namens verweerder ter adstructie aangevoerd dat blijkens gegevens van het Nibud het mogelijk is voor circa f 170,- per maand aan vaste kosten er een auto op na te houden en dat de helft van degenen die een inkomen hebben op bijstandsniveau over een auto beschikt.
Daargelaten of dat juist is -er zijn geen gegevens ter onderbouwing overgelegd- de rechtbank kan verweerder niet volgen in het standpunt dat een auto ook voor gehandicapten algemeen gebruikelijk is ongeacht het inkomen. Immers gehandicapten zijn wat hun financiële mogelijkheden en uitgavenpatroon betreft niet op één lijn te stellen met de “Nibud-Nederlander”. Zij hebben vaak al te maken met meer uitgaven in verband met hun handicap en zullen voorts meer eisen stellen aan een auto, bijvoorbeeld waar het gaat om zitcomfort, bedrijfszekerheid en de mogelijkheid om een rolstoel mee te nemen.
Voor gehandicapten voor wie een auto algemeen gebruikelijk geacht kan worden geldt dat de meerkosten ten gevolge van de handicap bestaan uit de variabele kosten per kilometer van de extra ritten die zij maken vanwege hun handicap. Als daarvan wordt uitgegaan dan kan met het toegekende bedrag aanzienlijk meer dan 500 km per jaar worden gereden. In die gevallen kan van de verstrekte voorziening niet op voorhand worden gezegd dat daarmee een onvoldoende invulling wordt gegeven aan de Wvg-zorgplicht.
In dit verband merkt de rechtbank op dat, anders dan eisers gemachtigde meent, de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak d.d. 31 maart 2001 (USZ 2000/128) niet heeft geoordeeld dat (ook) een voorziening voor 1000 km niet als een verantwoorde voorziening kan worden aangemerkt, maar dat die voorziening in dat geval voor eigen autobezitters niet aanvaardbaar is omdat de daarmee beoogde gelijkstelling met gebruikers van het collectieve vervoerssysteem op die manier niet werd bereikt.
Voor gehandicapten in een inkomenscategorie waar een eigen auto niet algemeen gebruikelijk is zullen de kosten per kilometer echter aanzienlijk hoger liggen dan f 0,64. De kilometervergoeding zal immers, ook bij het relatief kleine aantal kilometers waarvoor die vergoeding wordt gegeven, voldoende moeten zijn niet alleen om een auto te laten rijden maar ook om hem aan te schaffen en te onderhouden.
Afhankelijk van de inkomenscategorie waartoe de gehandicapte behoort en afhankelijk van de vraag boven welk inkomen een eigen auto als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, is het bedrag van f 0,64 per km al dan niet toereikend.
Een keuze inzake de inkomensgrens waarboven een auto algemeen gebruikelijk geacht kan worden is in de Verordening niet gemaakt en naar de inkomenspositie van eiser is geen onderzoek gedaan
Eiser heeft ter zitting gesteld dat hij nu al het gebruik van de auto drastisch moet beperken en dat, als deze auto vervangen moet worden er geen andere aangeschaft kan worden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat op zijn minst twijfelachtig is dat eiser tot een inkomenscategorie behoort waarin een auto algemeen gebruikelijk is, zodat, bij gebreke van duidelijkheid op dit punt het er voor moet worden gehouden dat een kilometerprijs van f 0,64 in zijn geval ontoereikend is.
Resumerend stelt de rechtbank vast dat in eisers geval het in de Verordening voorziene bedrag van f 320,- niet voldoende is om 500 km mee te rijden en dat dit aantal kilometers overigens ook te gering is om in voldoende mate aan het matschappelijk verkeer te kunnen deelnemen.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat artikel 5.3, eerste lid, van de Verordening ten aanzien van eiser buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met artikel 2, juncto artikel 3, van de Wvg en dat het op die bepaling gebaseerde bestreden besluit derhalve voor vernietiging in aanmerking komt.
De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen en vertrouwt er op dat zulks ook met voortvarendheid zal gebeuren, gelet op het feit dat de overgangsregeling is geëxpireerd en eiser inmiddels in volle omvang wordt geconfronteerd met gevolgen van de verlaging van de vergoeding.
De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, zijnde de kosten van rechtsbijstand.
4. Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiser;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, tot op heden begroot op f 1420, door de gemeente Zwolle te betalen aan eiser;
bepaalt dat de gemeente Zwolle aan eiser het griffierecht ad f 60,- vergoedt.
Gewezen door mr. H.C. Moorman voorzitter, mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en mr. W. Miltenburg rechters en in het openbaar uitgesproken op in tegenwoordigheid van mr M.A.Th. V. Wassink-Beerekamp als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.