ECLI:NL:RBZWO:2001:AB2670

Rechtbank Zwolle

Datum uitspraak
22 juni 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/8072
Instantie
Rechtbank Zwolle
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 3:43 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen bouwvergunning moskee wegens termijnoverschrijding

De rechtbank Zwolle behandelde het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deventer om het bezwaarschrift van eiseres tegen de bouwvergunning voor een moskee niet-ontvankelijk te verklaren wegens termijnoverschrijding.

Het besluit tot vrijstelling en bouwvergunning werd op 28 maart 2000 aan de aanvrager bekendgemaakt. Eiseres diende haar bezwaar pas op 11 mei 2000 in, na het verstrijken van de termijn die op 9 mei 2000 eindigde. Hoewel verweerder de mededeling over het besluit niet gelijktijdig aan eiseres of haar gemachtigde heeft gedaan, maar via publicatie in de Stadskrant op 6 april 2000, oordeelde de rechtbank dat dit voldeed aan de mededelingsverplichting.

Eiseres stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was, onder meer omdat zij niet tijdig was geïnformeerd. De rechtbank vond echter dat eiseres eerder op de hoogte had kunnen zijn, mede gezien eerdere persoonlijke mededelingen aan haar gemachtigde. Daarom bleef het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring in stand en werd het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift wordt ongegrond verklaard wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Reg.nr.: AWB 00/8072
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A, wonende te B, eiseres,
gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer, verweerder.
Als belanghebbende neemt aan het geding deel:
Islamitische Stichting Nederland, gevestigd te Den Haag.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 2 augustus 2000, nummer BB/JZ/00.8540, waarbij niet-ontvankelijk is verklaard het bezwaarschrift van eiseres tegen het besluit van verweerder d.d. 24 maart 2000, verzonden 28 maart 2000, tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsmede bouwvergunning voor het bouwen van een moskee op een perceel aan de […]straat te Deventer, kadastraal bekend gemeente Deventer, sectie […], nr 1[…].
2. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 24 maart 2000, nr. 991194/bwt, verzonden 28 maart 2000 heeft verweerder aan belanghebbende vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening alsmede bouwvergunning verleend voor het bouwen van een moskee op een perceel gelegen aan de […]straat te Deventer, kadastraal bekend gemeente Deventer, sectie […], nr. […].
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 11 mei 2000 bij verweerder bezwaar gemaakt, aangevuld bij brief van 12 mei 2000.
Bij besluit van 2 augustus 2000 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 augustus 2000 beroep ingesteld.
Desgevraagd heeft verweerder op 8 september 2000 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting op 1 juni 2001, alwaar eiseres is verschenen bij gemachtigde voornoemd en verweerder bij gemachtigden drs. P.A.W. Commissaris en mr. A.J. Nijman, ambtenaren van de gemeente. Belanghebbende is vertegenwoordigd door K. Akdenir van de Islamitische Vereniging Deventer te Deventer, die namens belanghebbende heeft verzocht als partij aan het geding te mogen deelnemen.
3. Motivering
In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift van eiseres in rechte kan worden gehandhaafd.
De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat verweerders besluit tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning d.d. 24 maart 2000 overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de aanvrager is bekendgemaakt op 28 maart 2000. Hetgeen eiseres, onvoldoende onderbouwd, heeft aangevoerd omtrent de datering van stukken door verweerders gemeente in het algemeen kan niet tot een ander oordeel leiden.
De termijn om tegen dit besluit bezwaar in te dienen, eindigde, gelet op hetgeen de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb bepalen omtrent de duur en aanvangsmoment van die termijn, op 9 mei 2000. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift van eiseres op 11 mei 2000 per faxbericht bij verweerder is ingediend. Vaststaat derhalve dat dit is geschied na afloop van de geldende termijn.
Eiseres is van mening dat geen sprake is van termijnoverschrijding en beroept zich daartoe op de publicatie van het vrijstellings- en bouwvergunningbesluit in de Stadskrant op 6 april 2000, die haar op het verkeerde been heeft gezet wat betreft de aanvang van de bezwaartermijn.
Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, in de eerste plaats vanwege het feit dat zo spoedig na het bekend worden met de vergunningverlening het rechtsmiddel is aangewend en in de tweede plaats omdat de gemachtigde van eiseres niet in kennis is gesteld van de besluitvorming. Zulks terwijl de gemachtigde vanwege het namens eiseres indienen van bedenkingen ten aanzien van de anticipatieprocedure bij verweerder bekend was.
De rechtbank acht eiseres' stelling dat geen sprake zou zijn van een termijnoverschrijding in verband met genoemde publicatie onjuist. Op de bekendmaking van een op aanvraag genomen en tot de aanvrager gericht besluit, waarvan in casu sprake is, is volgens de jurisprudentie, ondanks publicatie, artikel 3:41 van Pro de Awb van toepassing, hetgeen met zich brengt dat de bekendmaking van het besluit aan de aanvrager ingevolge artikel 6:8 van Pro de Awb bepalend is voor de aanvang van de bezwaartermijn. Op de verzenddatum van het vrijstellings- en bouwvergunningsbesluit is hiervoor reeds ingegaan. In verband hiermede behoeft de (inhoud van de ) publicatie geen verdere bespreking.
De rechtbank heeft zich vervolgens gebogen over de vraag of de door eiseres aangevoerde omstandigheden, die volgens eiseres de termijnoverschrijding verschoonbaar maken, ertoe moeten leiden dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest terzake van het na afloop van de termijn indienen van het bezwaarschrift, zodat niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb achterwege moet blijven.
In artikel 19a, elfde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die luidde tot 3 april 2000, (hierna: WRO) is -voorzover van belang- bepaald dat tegelijkertijd met de bekendmaking van de beslissing op het verzoek om vrijstelling daarvan mededeling wordt gedaan aan degenen die bedenkingen naar voren hebben gebracht.
Vaststaat dat verweerder niet overeenkomstig dit artikellid heeft gehandeld door de mededeling als bedoeld in dit voorschrift niet te doen tegelijkertijd met de bekendmaking van de beslissing omtrent vrijstelling (en bouwvergunning) op 28 maart 2000. Bedoelde mededeling is voorts niet gedaan aan de gemachtigde van eiseres noch aan eiseres, maar door middel van de genoemde publicatie in de Stadskrant.
In artikel 3:43 , eerste lid, van de Awb is bepaald dat tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking van het besluit mededeling wordt gedaan aan degenen die bij de voorbereiding ervan hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Hoewel artikel 19a, elfde lid van de WRO naar het oordeel van de rechtbank als lex specialis derogeerde aan artikel 3:43, eerste lid van de Awb, kan de mededeling als bedoeld in genoemd artikellid van de WRO -gelet op de aard van de artikel 19a-WRO-procedure als openbare voorbereidingsprocedure zoals geregeld in afdeling 3.4 van de Awb- naar de strekking ervan op één lijn worden gesteld met de mededeling als bedoeld in het eerste lid van artikel 3:43 van Pro de Awb. De rechtbank is voorts van oordeel dat het tweede lid van artikel 3:43 van Pro de Awb, kort gezegd inhoudende dat indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, aan het eerste lid kan worden voldaan door middel van publicatie in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, in dit geval aanvullend eveneens van toepassing moet worden geacht op de mededeling als bedoeld in artikel 19a, elfde lid , van de WRO.
Het voorgaande brengt met zich dat verweerder met de publicatie in de Stadskrant -daargelaten het tijdstip daarvan- geacht moet worden te hebben voldaan aan de mededelingsverplichting jegens degenen die bedenkingen naar voren hebben gebracht in verband met de anticipatieprocedure.
Op grond van het vorenstaande is in het feit dat van het besluit tot vrijstellings-en bouwvergunningverlening niet persoonlijk aan (de gemachtigde van) eiseres mededeling is gedaan, onvoldoende grond gelegen om met betrekking tot de termijnoverschrijding bij het indienen van bezwaar te oordelen dat eiseres niet in verzuim is geweest.
Eiseres heeft zich met de publicatie in de Stadskrant van 6 april 2000, gelet op het verhandelde ter zitting, eerst op 10 mei 2000, en derhalve na ommekomst van de bezwaartermijn, bij de gemachtigde gemeld, teneinde bezwaar te maken bij verweerder.
Eiseres moet evenwel geacht worden eerder op de hoogte te hebben kunnen zijn van het besluit tot vrijstellings- en bouwvergunning. Eiseres had des te meer alert dienen te zijn op een mededeling van verweerder, aangezien verweerder blijkens de gedingstukken aan al degenen die bedenkingen hebben ingediend, op 20 oktober 1999 persoonlijk, i.c. aan de gemachtigde van eiseres, een reactie daarop heeft toegezonden, houdende mededeling van het ongegrond verklaren van de bedenkingen, van het aanvragen van een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van het afgeven van bouwvergunning en van het feit dat de afgifte van bouwvergunning zal worden gepubliceerd in de Stadskrant. Ter zitting heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat deze reactie haar (gemachtigde) niet zou zijn toegezonden. De omstandigheid dat eiseres niet eerder c.q. tijdig kennis heeft genomen van de mededeling van het besluit tot vrijstellings- en bouwvergunningverlening moet dan ook voor rekening van eiseres komen.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerders besluit tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaarschrift van eiseres in rechte in stand kan blijven. Het beroep is ongegrond.
De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep ongegrond.
Gewezen door mr. W.J.B. Cornelissen en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2001 in tegenwoordigheid van A.H. Rijkens als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
afschrift verzonden op