ECLI:NL:RBZWO:2001:AB3348

Rechtbank Zwolle

Datum uitspraak
22 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
WAZ 00/9017
Instantie
Rechtbank Zwolle
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.I. Lammertsma-van der Heij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WAZArt. 3 SchattingsbesluitArt. 4 SchattingsbesluitBesluit uurloonschatting 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking WAZ-uitkering wegens onjuiste berekening arbeidsongeschiktheidspercentage

Eiseres, geboren in 1940 en melkveehouder, ontving sinds 1995 een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid door rug- en heupklachten. Na een herbeoordeling in 1999 werd haar uitkering per 1 januari 2000 ingetrokken omdat zij volgens de verzekeringsarts weer benutbare arbeidsmogelijkheden had. De arbeidsdeskundige stelde een belastbaarheidspatroon op en duidde vijf functies die eiseres zou kunnen vervullen.

Eiseres voerde bezwaar aan met medische verklaringen van haar specialist en huisarts, die haar afraden staand of belastend werk te verrichten, maar zittend werk wel mogelijk achten. De rechtbank oordeelt dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld en dat zittend werk mogelijk is. De arbeidsmarktsituatie speelt geen rol in de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid.

De kern van het geschil betreft de wijze waarop verweerder de verdiencapaciteit heeft berekend aan de hand van het Schattingsbesluit, waarbij functies binnen een 'bandbreedte' van uren worden meegeteld. De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende arbeidsplaatsen binnen die bandbreedte heeft gevonden en dat de gehanteerde methode leidt tot een overschatting van de verdiencapaciteit.

De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en concludeert dat verweerder ten onrechte geen reductiefactor toepast bij functies met minder dan zeven arbeidsplaatsen binnen de bandbreedte. Hierdoor is het arbeidsongeschiktheidspercentage onjuist vastgesteld. Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de overwegingen.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAZ-uitkering wordt vernietigd wegens een onjuiste berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Reg.nr.: WAZ 00/9017
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A, echtgenote van B, wonende te C, eiseres,
en
Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), gevestigd te Amsterdam, verweerder, uitvoeringsinstelling GUO, regiokantoor Heerenveen.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 18 oktober 2000, nummer RBB/WAZ/1999-414/3.959.150140, waarbij het besluit van 26 november 1999, is gehandhaafd.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 26 november 1999 heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de WAZ per 1 januari 2000 beëindigd.
Tegen dit besluit is op 24 december 1999 een bezwaarschrift ingediend. De gronden van het bezwaar zijn op 22 februari 2000 ingediend door de toenmalig gemachtigde van eiseres.
Bij het thans bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.
Op 27 november 2000 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is op 21 maart 2001ter zitting behandeld.
Eiseres is verschenen.
Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen.
3. Motivering
In geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van het antwoord op de vraag of verweerder terecht de WAZ-uitkering van eiseres ingaande 1 januari 2000 heeft ingetrokken.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze laatste vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres, geboren in 1940, dreef samen met haar echtgenoot een melkveebedrijf.
Zij had sedert 2 januari 1995 een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar 80 tot 100 % arbeidsongeschiktheid in verband met rug- en liesklachten, veroorzaakt door een HNP en coxarthrosis beiderzijds. Eiseres werd op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht voor arbeid in loondienst. In het eigen bedrijf verrichtte zij nog voor 3,5 uur per week administratieve werkzaamheden.
Haar uitkering kwam tot 1 januari 1996 niet tot uitbetaling, gelet op het winstaandeel van eiseres uit het bedrijf. Daarna werd haar uitkering onverkort betaalbaar gesteld.
In 1999 vond de vijfjaarlijkse herbeoordeling plaats.
Eiseres had inmiddels in februari 1997 twee heupoperaties ondergaan, welke naar het oordeel van de verzekeringsarts op 11 oktober 1999 maakten dat eiseres weer benutbare mogelijkheden heeft. Een belastbaarheidspatroon werd voor eiseres opgesteld, waarbij rekening werd gehouden met beperkingen ten aanzien van voortgezette bewegingen en belasting van de heupen, de rug en de rechter knie.
Vervolgens is door de arbeidsdeskundige op 26 oktober 1999 gerapporteerd dat voor eiseres een aantal functies is te duiden. Gelet op de mogelijke verdienste in de drie hoogstbetaalde functies, resteert voor eiseres een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25 %.
Bij besluit d.d. 26 november 1999 is daarop de WAZ-uitkering van eiseres ingetrokken ingaande 1 januari 2000.
In bezwaar is door de bezwaarverzekeringsarts M.A.F.M. Peerden op 13 maart 2000 rapport uitgebracht.
Vervolgens is door de toenmalige gemachtigde van eiseres ingebracht:
- een schrijven d.d. 8 maart 2000 van de behandelend orthopaedisch chirurg H. Mencke;
- een schrijven d.d. 13 april 2000 van diezelfde specialist.
Op 30 juni 2000 heeft de bezwaarverzekeringsarts een commentaar gegeven op laatstgenoemd schrijven.
Vervolgens zijn bij brief d.d. 25 augustus 2000 nadere gronden van bezwaar ingezonden, waarbij als bijlage is overgelegd een verklaring van de huisarts van eiseres d.d. 18 juli 2000.
Ook na deze verklaring heeft de bezwaarverzekeringsarts weer gerapporteerd, en wel op 3 oktober 2000.
Vervolgens is het thans bestreden besluit genomen.
3.1. Wettelijk / juridisch kader.
Geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt in de zin van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is ingevolge het bepaalde in artikel 2 van Pro die wet, degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
Ingevolge het zevende lid van artikel 2 van Pro de WAZ kunnen met betrekking tot het bepaalde in dit artikel nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld.
Het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (AMvB van 24 december 1997, Stb. 1997, 801, verder te noemen: het Schattingsbesluit) geeft deze nadere regels.
Artikel 3, lid 1 van het Schattingsbesluit bepaalt dat bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt uitgegaan van de urenomvang van de door de in artikel 2 bedoelde Pro gezonde persoon uitgeoefende arbeid.
Ingevolge het tweede lid van artikel 3 onder Pro a wordt bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 2 van Pro de WAZ uitgegaan van die algemeen geaccepteerde arbeid waarmee betrokkene per uur het meest kan verdienen.
Ingevolge het tweede lid van artikel 3 onder Pro b blijft bij de toepassing van onderdeel a de functie die niet of nauwelijks arbeidsplaatsen vertegenwoordigt buiten beschouwing.
Artikel 4, lid 1 van het Schattingsbesluit bepaalt dat de in artikel 3 onder Pro a bedoelde arbeid nader dient te worden omschreven in de vorm van ten minste drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies waarmee het hoogste inkomen per uur kan worden verworven. Deze functies dienen tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen te vertegenwoordigen.
Bij Besluit uurloonschatting 1999 (Lisv-besluit van 11 februari 1999, Stcrt. 1999, 40) heeft verweerder nader aangegeven op welke wijze bij de berekening van de verdiencapaciteit rekening wordt gehouden met de urenomvang van de zogenaamde maatman.
3.2. Standpunt eiseres.
In haar beroepschrift heeft eiseres, kort samengevat, gesteld dat ten onrechte geen aandacht is geschonken aan het feit dat haar door haar specialist en huisarts met klem is afgeraden om aan het arbeidsproces deel te nemen.
Het belastbaarheidspatroon is vastgesteld zonder dat dat met haar is doorgesproken, de verzekeringsarts heeft totaal geen inzicht. Eiseres acht zich niet in staat om arbeid in loondienst te verrichten. Ter zitting heeft eiseres daaraan toegevoegd dat zowel de arbeidsdeskundige als haar huisarts en haar boekhouder de schatting te gek voor woorden vinden. Op haar leeftijd is het onmogelijk nog aan het werk te komen.
3.3. Standpunt verweerder.
Blijkens het bestreden besluit is verweerder van oordeel dat voor eiseres wel degelijk de juiste arbeidsbeperkingen zijn vastgesteld. Verweerder baseert zich vooral op hetgeen door de bezwaarverzekeringsarts terzake is gerapporteerd.
3.4. Beoordeling van het beroep
Partijen zijn in het bijzonder verdeeld over de vraag of door de (bezwaar)verzekeringsarts al dan niet voor eiseres de juiste arbeidsbeperkingen zijn vastgesteld.
De rechtbank overweegt terzake als volgt.
Gelet op het bepaalde in artikel 2 van Pro de WAZ zijn bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van deze wet, twee aspecten van belang, te weten:
- of de betrokkene beperkingen heeft, die een rechtstreeks en medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebreken (de medische component);
- of en in hoeverre hij als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk buiten staat is zich met gangbare arbeid een inkomen te verwerven (de arbeidsdeskundige component).
Voor wat betreft het medische gedeelte van de beoordeling geldt het volgende.
Uit de gedingstukken blijkt, dat de voor eiseres bij de opstelling door de verzekeringsarts van voor eiseres geldende arbeidsbeperkingen rekening is gehouden met het feit dat eiseres is aangewezen op voornamelijk zittend werk.
Uit de arbeidskundige rapportage d.d. 26 oktober 1999 met bijlagen -de zogenaamde "verwoordingen functiebelasting" d.d. 15 oktober 1999- blijkt, dat voor eiseres inderdaad zodanig werk is geselecteerd.
Eiseres beroept zich op de informatie die van de kant van haar huisarts en behandelend specialist is ingebracht; eiseres zou met klem zijn aangeraden niet aan het arbeidsproces deel te nemen.
De rechtbank kan dit advies echter niet afleiden uit de overgelegde brieven noch geeft de inhoud van die brieven aanleiding om te veronderstellen dat er grond zou zijn voor een dergelijke visie.
Uit de brief van de behandelend specialist van eiseres d.d. 13 april 2000 blijkt dat deze van oordeel is dat staand, bukkend, tillend en lopend werk sterk wordt afgeraden. In de brief van de specialist d.d. 8 maart 2000 stelt de specialist zelfs met zoveel woorden dat eiseres "uiteraard wel zittend werk mag doen", maar dat het hem zeer onverstandig lijkt om haar staand, lopend, bukkend en tillend werk na te laten streven. Aan deze opmerkingen gaat de opmerking vooraf dat het de specialist "niet reëel lijkt dat ze weer zou moeten werken". Waarom dat niet zo lijkt, geeft de specialist niet aan, doch die opmerking acht de rechtbank niet relevant gelet op het duidelijk uitgesproken oordeel dat eiseres in staat is -zelfs "uiteraard"- om zittend werk te verrichten.
Voor wat betreft de verklaring van de huisarts moet worden geconstateerd dat deze zich niet uitlaat omtrent het al dan niet juist zijn van de voor eiseres aangenomen beperkingen en mogelijkheden.
Nu vastgesteld moet worden dat er ook van de zijde van de behandelaren van eiseres geen bezwaar bestaat tegen het verrichten van zittend werk, heeft verweerder terecht beoordeeld of er voor eiseres dergelijke functies zijn te duiden.
Voorzover het eiseres in de praktijk niet zou lukken ook inderdaad een baan in loondienst te vinden gaat het om een factor die niet verzekerd is in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving, te weten de arbeidsmarktsituatie. Dat aspect kan dan ook niet in de beoordeling worden betrokken.
Met betrekking tot de vervolgens aan de orde zijnde arbeidskundige component van de schatting, overweegt de rechtbank het volgende.
Blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige d.d. 26 oktober 1999 heeft de arbeidsdeskundige voor eiseres vijf functies geduid. Op basis van de verdiensten per uur in de middelste van de drie hoogst betaalde functies, afgezet tegen het per uur berekende maatgevende inkomen van de meewerkend echtgenote op een melkveehouderij, is door de arbeidsdeskundige een arbeidsongeschiktheid berekend van 15,3%.
In het Schattingsbesluit wordt in artikel 3, eerste lid voorgeschreven dat bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt uitgegaan van de urenomvang van de maatman. In de toelichting op het Schattingsbesluit wordt dit enigszins genuanceerd: uitgangspunt is ongeveer de urenomvang van de maatmanfunctie.
Gelet op deze nuancering hanteert verweerder, blijkens de toelichting in de Bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999, een zekere "bandbreedte".
Dit betekent dat verweerder, al naar gelang de urenomvang van de maatmanfunctie, functies duidt, die drie, vier of vijf uren meer bevatten dan de omvang van de maatman.
Verweerder onderzoekt aan de hand van een aantal "stappen" in hoeverre sprake is van voldoende te duiden functies met voldoende arbeidsplaatsen, indien binnen een bepaalde functiecode onvoldoende -dat wil zeggen minder dan 7- arbeidsplaatsen te vinden zijn in de omvang van de "bandbreedte".
Bij beoordeling volgens "stap 1" is sprake van de situatie waarin wel één of meer functies binnen een functiecode zijn te vinden die de omvang hebben van de "bandbreedte" doch welke functie(s) niet (tezamen) tenminste 7 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. In dat geval wordt eerst gekeken naar functies binnen diezelfde functiecode, die meer en vervolgens die minder uren omvatten dan in de omvang van de "bandbreedte". Komt men op die manier aan tenminste 7 arbeidsplaatsen binnen de functiecode, dan acht men voldaan te zijn aan het vereiste van de aanwezigheid van voldoende arbeidsplaatsen binnen die functiecode en wordt zonder meer de uurloonvergelijking toegepast voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Indien volgens "stap 1" onvoldoende -dat wil zeggen niet tenminste drie- functiecodes kunnen worden gevonden, wordt beoordeeld volgens "stap 2",
Dit houdt in dat naar functiecodes wordt gezocht, die weliswaar geen enkele functie bevatten in de omvang van de "bandbreedte", maar die wel functies bevatten in een grotere omvang dan de "bandbreedte". Slechts indien daarnaast sprake is van tenminste één functie binnen die functiecode die een kleinere omvang heeft dan die van de maatman, kunnen de aldus gevonden functies meetellen voor de vaststelling of er voldoende arbeidsplaatsen aanwezig zijn binnen die functiecode. De aanwezigheid van één functie in een kleinere omvang dan de maatman, maakt het volgens de toelichting "aannemelijk dat binnen deze functiecode ook functiebeschrijvingen kunnen worden uitgeoefend in een omvang die binnen de bandbreedte valt.
Ook in deze situatie wordt geen aanleiding gezien om de uurloonvergelijking anders dan op de normale wijze toe te passen.
Indien volgens "stap 2" onvoldoende functies geduid kunnen worden, komt men toe aan "stap 3". Volgens "stap 3" wordt gezocht naar functiecodes waarin slechts functies in een lagere omvang dan de maatman worden gevonden.
Pas in deze situatie is hantering van een reductiefactor aan de orde, waardoor rekening wordt gehouden met het feit dat de verdiencapaciteit in de desbetreffende functie voor de betrokkene in feite minder is dan uit een zuivere vergelijking tussen het uurloon van de maatman en het uurloon van de gevonden functies te zien zou geven.
In het onderhavige geval is sprake van een omvang van de maatgevende arbeid van 23 uur per week. De "bandbreedte" ligt derhalve tussen 23 + 4 = 27 uur per week.
Uit de bijlagen van de arbeidskundige rapportage blijkt dat voor eiseres geen functiecodes gevonden konden worden waarin in voldoende mate arbeidsplaatsen in de omvang van de "bandbreedte" voorkomen.
Voor eiseres zijn vijf functiecodes gevonden, waarvan er slechts twee zijn waarbinnen 2 respectievelijk 1 functie voorkomen, die binnen de omvang van de "bandbreedte" vallen, welke functies ieder slechts 1 arbeidsplaats vertegenwoordigen.
Het betreft de functiecode 6231, de bloemist. De vereiste aanvullende arbeidsplaatsen zijn gevonden volgens "stap 1". Het gaat dan om drie functies met een omvang van respectievelijk 36, 38, 30 en 20 uur per week, vertegenwoordigende respectievelijk 1, 6, 3 en 1 arbeidsplaatsen.
Daarnaast gaat het om de functiecode 0546, de monsternemer. Conform "stap 1" zijn daarbij, naast 1 functie binnen de "bandbreedte", vertegenwoordigende 1 arbeidsplaats, uitsluitend functies gevonden in een geringere omvang dan de maatman, te weten van respectievelijk 19, 20, 15 en 12 uur, vertegenwoordigende respectievelijk 4, 1, 1 en 1 arbeidsplaatsen.
Bij de overige drie gevonden functiecodes is geen sprake van enige functie, vallend binnen de "bandbreedte". Hier is derhalve "stap 2" aan de orde.
Het betreft de functiecode 5933, de tandartsassistent(e), de functiecode 3316, de cassière en de functiecode 4910, de winkelbediende.
De tandartsassistente is de derde functiecode waarop de schatting is gebaseerd.
Deze functie betreft 2 functies die meer uren dan de bandbreedte bevatten, te weten 35 uur respectievelijk 37 uur, vertegenwoordigende 3 respectievelijk 1 arbeidsplaats en 3 functies die minder uren dan de bandbreedte bevatten, te weten respectievelijk 20, 19 en 8 uur, vertegenwoordigende respectievelijk 1, 1 en 1 arbeidsplaats.
Voor de overige beide functiecodes gelden vergelijkbare cijfers.
De te beantwoorden vraag is niet alleen of verweerder, dit systeem toepassende, inderdaad aan eiseres voldoende functies heeft geduid om tot schatting over te mogen gaan, maar ook of verweerder aldus een arbeidsongeschiktheidspercentage heeft berekend, dat overeenstemt met een gevonden reële verdiencapaciteit in de geduide functies.
De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.
(Ook) bij de inwerkingtreding per 1 augustus 1993 van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is het blijkens de wetsgeschiedenis de uitdrukkelijke bedoeling gebleven dat de arbeidsongeschiktheidsschatting niet een puur theoretische is doch dat het gaat om een vaststelling van de verdiencapaciteit die een zekere realiteitswaarde moet hebben.
Ook in het Schattingsbesluit is dit principe vastgelegd middels het vereiste dat bij de schatting wordt uitgegaan van tenminste drie verschillende functies, die in zodanige omvang dienen voor te komen dat niet sprake is van de in artikel 3, lid 2 onder b van het Schattingsbesluit bedoelde functie die niet dan wel onvoldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigt. Verweerder hanteert daartoe de ondergrens van zeven arbeidsplaatsen. Wanneer een functie niet een zeker aantal arbeidsplaatsen vertegenwoordigt is er immers geen sprake van een reëel te verkrijgen functie.
In de toelichting van de Staatssecretaris op het Schattingsbesluit wordt aangegeven dat tot volledige arbeidsongeschiktheidsschatting zou moeten worden geconcludeerd als uitsluitend functies zouden kunnen worden geduid in exact dezelfde omvang als de maatmanfunctie. Het hanteren van een bandbreedte met betrekking tot de urenomvang van de geduide functies verhoogt daarom volgens de Staatssecretaris onder andere het realiteitsgehalte van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
In het verlengde daarvan ligt naar het oordeel van de rechtbank dat -nu op grond van het Schattingsbesluit geschat wordt op basis van uurloonvergelijkingen- evenzeer sprake dient te zijn van een reëel te verdienen inkomen in vergelijking tot het maatgevende inkomen.
Indien de omvang van de maatgevende arbeid ongeveer dezelfde is als die van de geduide functies, levert dit bij uurloonvergelijking geen ander beeld op dan wanneer de totale verdiensten per week of maand zouden worden vergeleken.
Indien echter in die omvang een verschil optreedt, kan er bij zuivere uurloonvergelijking een discrepantie ontstaan tussen het berekende percentage en wat reëel aan inkomen verworven kan worden ten opzichte van het maatgevend inkomen.
Dit wordt in de Bijlage bij het Besluit uurloonschatting 1999 ook onderkend, hetgeen het duidelijkst tot uitdrukking komt bij hetgeen hiervoor is weergegeven terzake van "stap 3".
De vraag is echter of verweerder middels beoordeling via "stap 1" respectievelijk "stap 2" niet evenzeer in strijd komt met het principe dat het bij de schatting om de vaststelling van een voor de betrokkene reële verdiencapaciteit dient te gaan.
Ter beantwoording van die vraag overweegt de rechtbank het volgende.
Het hanteren van een zekere "bandbreedte" betekent volgens de Staatssecretaris, dat het realiteitsgehalte wordt verhoogd. Deze verhoging heeft kennelijk als achterliggende gedachte dat het wel erg lastig wordt om voldoende functies te vinden die precies de omvang hebben van de maatgevend functie. In zoverre levert de introductie van de "bandbreedte" inderdaad een verhoging van het realiteitsgehalte op. Tegelijkertijd wordt daarbij echter evenzeer in enige mate ingeleverd met betrekking tot het hiervoor behandelde vereiste van de reëel aanwezige verdiencapaciteit in relatie tot de verdiensten van de maatman.
Door de toepassing van "stap 1" respectievelijk "stap 2" rekt verweerder in feite de "bandbreedte" nog meer op en daarmee wordt navenant meer ingeleverd terzake van de vaststelling van de reëel aanwezige verdiencapaciteit in relatie tot de verdienste van de maatman.
In het geval van eiseres komt het er op neer, dat de schatting is gebaseerd op slechts 2 respectievelijk 1 arbeidsplaats(en) binnen 2 functiecodes, die voorkomen in een omvang die binnen de voor eiseres vastgestelde "bandbreedte" valt.
De overige gevonden functies wijken in mindere en soms in fors meerdere mate af van de omvang van de bandbreedte.
Bij de tweede geduide functiecode is, naast slechts 1 arbeidsplaats in de omvang van de "bandbreedte", zelfs uitsluitend sprake van arbeid in een (substantieel) geringere omvang.
In het voetspoor van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep d.d. 3 februari 1999 (USZ 1999/70) acht de rechtbank het op zichzelf acceptabel dat verweerder functies in aanmerking neemt waarvan er in de omvang van de "bandbreedte" minder dan 7 arbeidsplaatsen te vinden zijn, doch dit betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder het in die functies te verdienen uurloon zonder toepassing van enige reductiefactor in aanmerking kan nemen voor de bepaling van de verdiencapaciteit in die functies.
Het genoemde uitgangspunt van een zekere realiteitswaarde van de schatting in acht nemende, moet naar het oordeel van de rechtbank immers worden geconcludeerd dat eiseres mogelijk wel reëel de voor haar in diverse omvang geduide functies zou kunnen verwerven, maar niet dat gezegd kan worden dat eiseres in die functies reëel de verdiencapaciteit heeft waar verweerder bij zijn berekening van uitgaat.
Dat geldt voor de volgens "stap 2" gevonden functie nog sterker dan voor de volgens "stap 1" gevonden functies.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder een op een onjuiste grondslag gebaseerde berekening heeft gemaakt van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres.
Wegens strijd met de wettelijke bepalingen in artikel 2 WAZ Pro en in het Schattingsbesluit zal de rechtbank het bestreden besluit dan ook vernietigen. Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.
4. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- gelast dat verweerder aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad f. 60,-- vergoedt.
Gewezen door mw. mr M.I. Lammertsma-van der Heij en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2001 in tegenwoordigheid van mw.G. Ballast als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
afschrift verzonden op