ECLI:NL:RBZWO:2001:AD3412

Rechtbank Zwolle

Datum uitspraak
15 mei 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
NABW 99/11767 en NABW 00/3819
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.E.C. van Rijckevorsel-Besier
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 2 AbwArt. 13 AbwArt. 35 AbwArt. 4 Verordening algemene bijstand LelystadArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt dat zeiljacht als woonschip woning is en vernietigt korting op bijstandsuitkering

Eisers verbleven permanent aan boord van een zeiljacht te C. Verweerder besloot de bijstandsuitkering te verlagen met een bedrag wegens het ontbreken van woonlasten. De rechtbank stelde vast dat het zeiljacht als een woonschip moet worden aangemerkt, en daarmee als woning in de zin van artikel 5 lid 2 van Pro de Algemene bijstandswet en de Verordening algemene bijstand Lelystad.

De rechtbank oordeelde dat het onderscheid tussen een woonschip en andere schepen vooral ligt in het feit dat personen er hun hoofdverblijf hebben. Het ontbreken van een legale ligplaats is geen doorslaggevend criterium. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat er wel degelijk woonkosten zijn, zoals onderhoud en verzekeringen, ook al zijn de exacte kosten niet precies vast te stellen. De kosten voor gas, water en elektriciteit, waarvoor eisers zelf voorzieningen troffen, worden niet als woonkosten beschouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 11 februari 2000 gegrond, vernietigde het bestreden besluit en herroept het eerdere besluit van 31 mei 1999. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd de gemeente Lelystad aangewezen als de partij die deze kosten moet vergoeden. Het beroep onder nummer NABW 99/11767 werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege het inmiddels genomen besluit op bezwaar.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot korting op de bijstandsuitkering omdat het zeiljacht als woonschip woning is en woonkosten aanwezig zijn.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZWOLLE
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Reg.nrs.: NABW 99/11767 en NABW 00/3819
UITSPRAAK
in de geschillen tussen:
A en B echtgenote van A, geboren op […] 1950 respectievelijk […] 1959, beiden wonende te C, eisers,
gemachtigde: mr A.Z. van Braam, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Leeuwarden,
en
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 11 februari 2000.
2. Zitting
Datum: 5 april 2001.
Eiseres is verschenen bijgestaan door mr A.Z. van Braam.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde mw E.J. van Est.
3. Feiten welke de rechtbank als vaststaande aanneemt
Eisers woonden/verbleven permanent aan boord van een zeilboot die is gelegen aan de […] te C.
Verweerder heeft op 31 mei 1999 besloten de aan eisers toegekende bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm met ingang van 1 juli 1999 te herzien door f 421,78 in mindering te brengen op die uitkering in verband met het ontbreken van woonlasten.
Tegen dit besluit is bij brief van 9 juli 1999 bezwaar aangetekend.
Op 30 november 1999 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.
Eisers hebben bij een op 9 december 1999 bij de Provincie Flevoland ingekomen brief geageerd tegen de gang van zaken omtrent het ingediende bezwaarschrift. De Provincie Flevoland heeft deze brief vervolgens doorgezonden aan de rechtbank.
Gemachtigde van eisers heeft de rechtbank bij brief van 27 januari 2000 bericht dat laatstgenoemde brief van eisers dient te worden opgevat als een beroep tegen de weigering een beslissing op het bezwaarschrift d.d. 9 juli 1999 te nemen.
Dit beroep is bij de rechtbank sector bestuursrecht geregistreerd onder nummer NABW 99/11767.
Verweerder heeft op 11 februari 2000 besloten het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren, en noemt daarbij f 412,78 als het te korten bedrag.
Verweerder heeft bij brief d.d. 14 maart 2000 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen bij brief van 5 april 2000 bericht dat eerdergenoemd beroep, bekend onder nummer NABW 99/11767, geacht wordt mede te zijn gericht tegen verweerders besluit van 11 februari 2000. Laatstgenoemd beroep is bij de rechtbank sector bestuursrecht geregistreerd onder nummer NABW 00/3819.
Gemachtigde van eiser heeft bij brief van 20 april 2000 plus bijlagen de gronden tegen verweerders besluit d.d. 11 februari 2000 ingediend.
Eisers wonen inmiddels in een gewone woning in D.
4. Bewijsmiddelen
De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.
5. Motivering
Met betrekking tot de beroepszaak van eisers, bekend onder nummer NABW 99/11767 overweegt de rechtbank het volgende.
Blijkens rubriek 3 van deze uitspraak heeft verweerder op 11 februari 2000 een beslissing afgegeven naar aanleiding van het door eisers tegen zijn beslissing d.d. 31 mei 1999 ingediende bezwaar.
Nu verweerder op 11 februari 2000 (alsnog) een beslissing heeft genomen naar aanleiding van de door eisers tegen verweerders besluit d.d. 31 mei 1999 ingediende bezwaar, oordeelt de rechtbank dat er geen sprake meer is van een belang van eisers in de procedure waarbij het handelt om het uitblijven van een besluit van verweerder. Dat beroep, bekend onder nummer NABW 99/11767, dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Aangezien de beslissing op bezwaar veel te laat is genomen, is er terecht tegen het uitblijven van het besluit geprotesteerd. Er is daarom ondanks de niet ontvankelijkverklaring reden het griffierecht te laten vergoeden aan eisers, te betalen door de gemeente Lelystad.
De rechtbank ziet in die beroepszaak voorts geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat de gemachtigde van eisers zich eerst in een later stadium als gemachtigde heeft gesteld en als proceshandeling eerst het indienen van het aanvullend beroepschrift naar aanleiding van de afgifte van het besluit van 11 februari 2000 meetelt, zodat in het kader van de beroepszaak bekend onder nummer NABW 99/11767 geen punt kan worden toegekend.
Met betrekking tot het beroep tegen verweerders besluit van 11 februari 2000 overweegt de rechtbank het volgende.
standpunten partijen
In het kader van dit beroep is, kort samengevat aangevoerd, dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen sprake is van woonkosten. Eisers stellen kosten te hebben gemaakt voor voorzieningen (isolatie, zonnepaneel, windmolen), en voor onderhoud. Ze betalen geen liggeld.
In het verweerschrift d.d. 22 september 1998 heeft verweerder uiteengezet waarom er naar zijn oordeel geen sprake is van woonkosten. Het zeiljacht is geen woning of daarmee gelijk te stellen, aangezien het geen officiële ligplaats inneemt.
wettelijk kader
In artikel 5 lid 2 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) is bepaald dat onder een woning mede wordt verstaan een woonwagen of een woonschip.
In artikel 13 van Pro de Abw is onder meer bepaald dat Burgemeester en wethouders de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de betrokken persoon.
In artikel 35 van Pro de Abw is bepaald dat Burgemeester en Wethouders de bijstandsnorm lager kunnen vaststellen voorzover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden.
In artikel 4 van Pro de Verordening algemene bijstand van Lelystad
(verder: Verordening) is bepaald:
1. de bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.
2. De verlaging als bedoeld in het eerste lid bedraagt 10% van het wettelijk minimumloon per inwonende met wie de algemene bestaanskosten kunnen worden gedeeld. De verlaging in verband met de aanwezigheid van meer dan een inwonende met wie de algemene bestaanskosten kunnen worden gedeeld, bedraagt 20% van het wettelijk minimumloon.
3. De bijstandsnorm wordt lager vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van de bewoning van de woning waaraan voor de betrokkenen geen kosten zijn verbonden.
4. De verlaging als bedoeld in het derde lid bedraagt 20% van het netto minimumloon.
overwegingen
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de door eisers bewoonde zeilboot als een woonschip is te beschouwen en daarmee een woning is als bedoeld in artikel 5 lid 2 van Pro de Abw en artikel 1 sub h van Pro de Verordening.
De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. In de Abw is geen nadere omschrijving van een woonschip gegeven. De rechtbank acht het meest kenmerkende onderscheid tussen een woonschip en andere schepen, bijvoorbeeld een pleziervaartuig, dat er op een woonschip gewoond wordt, dat wil zeggen, dat personen daar hun hoofdverblijf hebben. Een andere grens tussen gewone schepen en woonschepen is niet te trekken: typische woonschepen kunnen vaak varen en hebben soms zeilen, zij hoeven qua keuken en sanitair niet te voldoen aan de eisen die aan een huis worden gesteld; pleziervaartuigen met kajuit zijn anderzijds vaak van alle gemakken voorzien. Het hebben van een legale ligplaats is evenmin een goed criterium. Er zijn immers heel wat woonschepen die niet op een daarvoor aangewezen ligplaats liggen, terwijl het voor iedereen evident is, dat het om een woonschip gaat.
Aan het bovenstaande doet niet af, dat in andere regelgeving - de Wet individuele huursubsidie en de Algemene plaatselijke verordening - eigen definities en criteria voor het begrip woning worden gehanteerd. Die criteria moeten gezien worden in het licht van de door die wetten geregelde onderwerpen.
Verweerder heeft mitsdien ten onrechte gemeend eisers te kunnen korten omdat zij geen woning (= woonschip) bewonen.
Het bestreden besluit berust hierdoor op een onjuiste grondslag en is derhalve niet deugdelijk gemotiveerd. Zulks is in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb.
Vervolgens is de vraag of eisers woonkosten hebben.
Met betrekking tot het antwoord op deze vraag overweegt de rechtbank het volgende.
In artikel 4, derde lid van de Verordening is artikel 35 van Pro de Abw herhaald. De rechtbank beschouwt de kosten in artikel 4 als Pro woonkosten als bedoeld in artikel 35 van Pro de Abw.
Blijkens artikel 1, sub i, tweede lid, van de Verordening wordt onder woonkosten bij bewoning van een eigen woning (of eigen woonschip) verstaan onder andere de zakelijke lasten en een naar de omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud. In het derde lid worden de zakelijke lasten nader geduid: De riool-rechten, het eigenaarsdeel van de onroerend zaaksbelasting, de brandverzekering, de opstalverzekering, het eigenaarsaandeel van de waterschapslasten.
Ter zitting heeft eiseres verklaard, dat eisers geen liggeld verschuldigd zijn en geen onroerend zaaksbelasting betalen. Wel worden er kosten gemaakt voor onderhoud en verzekeringen als bedoeld in voornoemd derde lid. De rechtbank acht dit aannemelijk, hoewel niet precies is vast te stellen, hoe hoog de kosten zijn. In ieder geval is er geen sprake van een woning (woonschip), waaraan voor de betrokkenen geen kosten zijn verbonden. Dit betekent, dat aan de voorwaarde voor de toepassing van de korting ex artikel 4, derde lid, van de Verordening niet is voldaan, zodat verweerder ten onrechte heeft gekort.
Wat betreft de kosten om over gas, water en electriciteit te kunnen beschikken, waarvoor eisers zelf voorzieningen hebben getroffen, onder andere zonnepanelen, merkt de rechtbank nog op, dat die gezien artikel 1, sub i, derde lid, niet onder de woonkosten worden gerekend.
Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Nu ook het primaire besluit van 31 mei 1999 de onrechtmatige korting behelst, acht de rechtbank het geraden met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb dat besluit te herroepen, en het bezwaar alsnog gegrond te verklaren.
Tevens is er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten terzake van de door eisers ingeroepen rechtshulp, begroot op f 1065,- (= 1,5 maal f 710,-, te weten een halve punt voor aanvullend beroepschrift en 1 punt voor bijwonen zitting)
Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep bekend onder nummer NABW 99/11767 niet-ontvankelijk;
gelast dat de gemeente Lelystad aan eisers het door hen gestorte griffierecht ad f 60,-- vergoedt;
verklaart het beroep bekend onder nummer NABW 00/3819 gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept verweerders besluit van 31 mei 1999 en verklaart het bezwaar daartegen alsnog gegrond;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
veroordeelt verweerder in de kosten, die eisers in verband met de behandeling van het beroep hebben moeten maken, tot op heden begroot op f 1065,-;
wijst de gemeente Lelystad aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eisers.
Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2001 in tegenwoordigheid van mr. M.A.T. Wassink-Beerekamp als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
afschrift verzonden op