ECLI:NL:RBZWO:2002:AD9393

Rechtbank Zwolle

Datum uitspraak
12 februari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/4780
Instantie
Rechtbank Zwolle
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • J.J. Szauer-Bos
  • M.A. Pach
  • M.H.P. Beukelman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ARARArt. 6:162 BWArt. 3:4 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning immateriële schadevergoeding wegens ernstige discriminatie en onrechtmatig ontslag

Eiser was van oktober 1993 tot augustus 1995 werkzaam bij een Rijksinrichting en werd voortijdig ontslagen. Na meerdere procedures werd hij in 1999 alsnog in vaste dienst gesteld met terugwerkende kracht. De Commissie Gelijke Behandeling oordeelde dat verweerder discriminatie had gepleegd op grond van ras en dat dit ook leidde tot onrechtmatig ontslag.

Eiser leed psychische klachten als gevolg van de discriminatie en het ontslag, bevestigd door een psychiatrisch rapport. Verweerder kende aanvankelijk een immateriële schadevergoeding toe van ƒ15.000, wat eiser onvoldoende achtte en beroep instelde.

De rechtbank oordeelde dat verweerder een ernstig verwijt treft voor het onrechtmatig handelen en dat de toegekende vergoeding niet in verhouding stond tot de geleden immateriële schade. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en stelde de vergoeding vast op €23.000 netto, vermeerderd met belastingverplichtingen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd gewezen op het belang van het aanbieden van excuses.

Uitkomst: De rechtbank kent eiser een immateriële schadevergoeding van €23.000 toe wegens ernstige discriminatie en onrechtmatig ontslag.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE
Sector Bestuursrecht
Meervoudige Kamer
Reg.nr.: AWB 00/4780
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
[A te B], eiser,
gemachtigde: mw. mr. A.J. Imthorn, advocaat te Amsterdam
en
De minister van Justitie, verweerder,
Gemachtigde: mr. J.H. Kleijne-Sanders, adviseur Rechtspositie en Arbeidsvoorwaarden bij de Dienst Uitvoering, Beheer en Advisering van de Dienst Justitiële Inrichtingen.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 14 maart 2000.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Bij brief van 19 augustus 1998 heeft eiser verweerder verzocht om een vergoeding van geleden schade, door hem begroot op ƒ100.000,--.
Bij besluit van 7 juni 1999 heeft verweerder aan eiser schadevergoeding toegekend ten bedrage van ƒ10.000,--. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 5 juli 1999 bezwaar gemaakt.
Naar aanleiding van dit bezwaarschrift zijn op 9 november 1999 en 9 maart 2000 hoorzittingen gehouden, waarbij eiser in de gelegenheid is gesteld om het bezwaarschrift tegenover de commissie bezwaar en beroep mondeling toe te lichten. Op 10 maart 2000 heeft deze commissie advies uitgebracht.
Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaarschrift conform het advies van genoemde commissie gegrond verklaard, met dien verstande dat aan eiser schadevergoeding is toegekend voor geleden materiële schade ten bedrage van
ƒ7.650,-- en de schadevergoeding voor door hem geleden immateriële schade is bepaald op ƒ15.000,--.
Bij brief van 19 april 2000 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, voor zover bij dat besluit het bedrag van de vergoeding voor immateriële schade is gesteld op ƒ15.000,--.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is op 24 januari 2002 ter zitting behandeld. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Imthorn. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Kleijne-Sanders.
3. Motivering
In geschil is de hoogte van het door verweerder bij het bestreden besluit aan eiser toegekende bedrag aan immateriële schadevergoeding. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerder in redelijkheid tot de vaststelling van dat bedrag heeft kunnen komen.
Bij de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiser is van oktober 1993 tot 6 augustus 1995 op basis van een tijdelijke aanstelling werkzaam geweest bij de Rijksinrichting [(...)]. Deze aanstelling is bij besluit van 5 juli 1995 voortijdig beëindigd.
Bij besluit van 13 december 1996 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 juli 1995 gegrond verklaard. Na vijf verschillende bezwaar- en beroepsprocedures heeft verweerder eiser bij besluit van 9 juni 1999 met ingang van
6 augustus 1995 in vaste dienst aangesteld. De indeling met terugwerkende kracht in schaal 7 is aan eiser in december 1999 medegedeeld.
Naar aanleiding van een klacht van eiser van 6 december 1996 heeft de Commissie Gelijke Behandeling een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek heeft ertoe geleid dat de Commissie bij uitspraak van 26 maart 1998 heeft geoordeeld dat er binnen de Rijksinrichting [(...)] sprake is van discriminerende bejegening van allochtone werknemers, waarbij de Commissie heeft geconcludeerd dat verweerder ten aanzien van eiser direct onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden en bij de beëindiging van het dienstverband.
3.1. Standpunt eiser
Eiser is van mening dat betaling van een bedrag van ƒ15.000,-- geen recht doet aan de ernst van de zaak. Verweerder heeft eiser enkele jaren gediscrimineerd wegens zijn ras en heeft eiser uiteindelijk op die grond ontslagen. Dit is bevestigd door de Commissie Gelijke Behandeling en wordt door verweerder niet betwist.
Uit de psychiatrische rapportage van D. Cohen van 16 april 1999 blijkt voorts dat de wijze waarop het bezwaar van eiser is behandeld, de psychiatrische pathologie die bij eiser was opgekomen als gevolg van de door hem ondervonden discriminatie in zijn werk en door diens ontslag, heeft bestendigd en dat het effect van het achterwege blijven van verontschuldigingen en rehabilitatie door justitie een dagelijkse pijn tot gevolg heeft gehad.
De extreem onheuse behandeling heeft tot gevolg gehad dat eiser geestelijk letsel heeft opgelopen. Eiser heeft in de periode van mei 1994 tot juni 1996 als rechtstreeks gevolg van het onrechtmatige handelen door verweerder aan agorafobie en een ernstige depressie geleden.
Een bedrag van ƒ100.000,---, onder aftrek van het bedrag dat verweerder eiser heeft toegekend voor de door hem geleden materiële schade, acht eiser een billijke vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.
Voor wat betreft het toepasselijk wettelijk kader heeft eiser ter zitting betoogd dat verweerder het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 69, eerste lid, Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) aangezien die bepaling naar de mening van eiser meer ziet op risico-aansprakelijkheid dan op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Dat onderscheid is naar de mening van eiser van belang bij de inhoudelijke toetsing van het feitencomplex. In dit verband heeft eiser betoogd dat het verschil maakt of een ambtenaar schade lijdt als gevolg van een feitelijke gebeurtenis die in de risicosfeer ligt van de overheid of dat een ambtenaar het object is van onrechtmatig handelen van de overheid, aangezien dit van belang is voor de mate van verwijtbaarheid. Verwijtbaar onrechtmatig handelen is naar de mening van eiser evident verwijtbaarder dan handelen waaraan die elementen ontbreken. Voorts gaat het in artikel 69 ARAR Pro om een discretionaire bevoegdheid, hetgeen naar de mening van eiser op gespannen voet staat met de uit onrechtmatige daad voortvloeiende aansprakelijkheid.
3.2 Standpunt verweerder
Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding is met name rekening gehouden met het feit dat verweerder geen verontschuldigingen heeft aangeboden. Voorts heeft verweerder bijzonder belang toegekend aan de schending van het vertrouwen van bezwaarde als gevolg van (het ontbreken van) de kwaliteit van bestuurlijke besluitvorming.
Alle door eiser genoemde schadefactoren, die redelijkerwijs bij de bepaling van het bedrag dienen te worden betrokken, zijn naar de mening van verweerder voldoende verdisconteerd. Met inachtneming daarvan is de vergoeding voor door eiser geleden immateriële schade naar billijkheid kunnen worden bepaald op ƒ15.000,--.
3.3 Beoordeling van het beroep
Voor wat betreft de door eiser ter discussie gestelde toepasselijkheid van artikel 69, eerste lid, ARAR overweegt de rechtbank als volgt.
Artikel 69, eerste lid, ARAR luidt als volgt:
Onze Minister kan naar billijkheid de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verlenen.
Dit artikel is gewijzigd bij KB van 19 oktober 1992 (Stb. 1992, 638). In de Nota van Toelichting valt onder meer de navolgende passage te lezen:
"Met het oog op de duidelijkheid en de inzichtelijkheid van de rechtspositie voor de ambtenaar dienen aanspraken op het gebied van arbeidsvoorwaarden vast te liggen in regelgeving. (…)
Voor een bijzondere incidentele tegemoetkoming in situaties waarin de regelgeving voor het rijkspersoneel niet voorziet (veelal betreft het toekenningen in individuele gevallen), dient eveneens een rechtspositionele basis aanwezig te zijn. Het betreft de mogelijkheid om in een individueel geval het besluit te nemen om een ambtenaar schadeloos te stellen (daaronder begrepen de gehele of gedeeltelijke vergoeding van materiële of immateriële schade), kosten te vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming naar billijkheid te verlenen."
De rechtbank is van oordeel dat artikel 69, eerste lid, ARAR (slechts) dient te worden gezien als algemene bepaling die ziet op de bevoegdheid van de betreffende minister om in individuele gevallen besluiten te nemen omtrent schadeloosstelling. Eiser heeft weliswaar gesteld dat deze bepaling meer ziet op risico-aansprakelijkheid dan op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, maar de rechtbank ziet in de redactie van de bepaling noch in de toelichting daarbij grond die stelling zonder meer juist te achten. Evenmin bestaan aanknopingspunten te veronderstellen dat de wetgever met laatstgenoemde bepaling heeft beoogd af te doen aan de uit artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek voortvloeiende aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 69, eerste lid, ARAR de ruimte laat om in voorkomende gevallen de gebruikmaking van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid in te kleuren aan de hand van artikel 6:162 BW Pro. Dit zo zijnde, is de rechtbank van oordeel dat de rechterlijke toetsingsmaatstaf in het onderhavige geval niet anders zou zijn geweest indien verweerder de toekenning van schadevergoeding niet had gebaseerd op artikel 69 ARAR Pro.
Uitgaande van hetgeen zojuist is overwogen, dient te worden vastgesteld dat niet in geschil is dat in het onderhavige geval sprake is van onrechtmatig handelen van verweerder jegens eiser en dat eiser als gevolg daarvan schade heeft geleden die mede bestaat uit immateriële schade.
Gelet op de uit het dossier naar voren komende gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat verweerder een zeer ernstig verwijt valt te maken van de door zijn toedoen aan eiser berokkende immateriële schade. Hierbij heeft de rechtbank met name het oog op het feit dat eiser in zijn werk - zowel van de zijde van zijn directe collega's als van de zijde van de directie van de inrichting waar hij werkte - te maken heeft gekregen met discriminatie waartegen door of vanwege verweerder niet is opgetreden, op het feit dat eiser op ondeugdelijke gronden ontslagen is geweest en op het feit dat verweerder niet aanstonds maar eerst nadat eiser daaromtrent meerdere procedures heeft moeten voeren, is overgegaan tot herstel van eisers rechtspositie. Daarbij heeft eiser niet alleen moeten procederen over zijn (vaste) aanstelling maar tevens over zijn inschaling. Daar komt nog bij dat eiser, blijkens de psychiatrische rapportage van
16 april 1999, vanaf 1993 tot juni 1996 psychische klachten heeft gehad, waarvoor hij onder behandeling is geweest, welke klachten hun oorsprong vonden in de door eiser in zijn werk ondervonden discriminatie en zijn ontslag en die zijn bestendigd door de wijze waarop verweerder de diverse procedures van eiser heeft afgehandeld zonder dat door of vanwege verweerder op enig moment aan eiser excuses zijn aangeboden.
Gelet op de ernst van het verwijt dat verweerder in het onderhavige geval valt te maken, is de rechtbank van oordeel dat de hoogte van de bij het bestreden besluit aan eiser toegekende vergoeding wegens immateriële schade in geen verhouding staat tot de door eiser ondervonden gevolgen van verweerders handelwijze.
Het voorgaande betekent dat niet kan worden gezegd dat verweerder het bedrag aan immateriële schadevergoeding bij het bestreden besluit in redelijkheid heeft kunnen bepalen op ƒ15.000,--. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:4, tweede lid, en 7:12, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep zal gegrond worden verklaard.
Om te komen tot finale beslechting van het al zeer geruime tijd tussen eiser en verweerder bestaande geschil, ziet de rechtbank in het onderhavige geval aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien.
Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden bestaat aanleiding het bedrag van de door verweerder aan eiser uit te betalen vergoeding voor geleden immateriële schade in redelijkheid en billijkheid vast te stellen op €23.000,-- netto, te vermeerderen met het bedrag dat eiser blijkens vaststelling door de bevoegde autoriteiten ter zake daarvan over het jaar van uitbetaling van genoemde som aan belasting verschuldigd zal zijn, en waarop niet in minderheid gebracht dient te worden het bedrag dat eiser door verweerder reeds is toegekend voor de door hem geleden materiële schade.
De rechtbank hecht eraan ten overvloede nog op te merken dat het aanbieden van excuses aan eiser door of vanwege verweerder ook thans nog meer dan op zijn plaats zou zijn. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat het uitbetalen en duidelijk specificeren van de door verweerder aan eiser toegekende vergoeding voor materiële schade en van het aan eiser toekomende achterstallige salaris en rente tot dusverre evenmin op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser.
4. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij aan eiser een bedrag van ƒ15.000,-- aan immateriële schadevergoeding is toegekend;
- bepaalt dat verweerder aan eiser bij wijze van immateriële schadevergoeding een bedrag betaalt van €23.000,-- netto, te vermeerderen met belastingen zoals hierboven is aangegeven;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad €644,37, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank;
- gelast dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem betaalde griffierecht van €102,10 (ƒ225,--) vergoedt.
Gewezen door mr. J.J. Szauer-Bos, voorzitter, mw. mr. M.A. Pach en
mw. mr. M.H.P. Beukelman, rechters en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2002 in tegenwoordigheid van mr. G.A. Versteeg als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
afschrift verzonden op: