ECLI:NL:RBZWO:2002:AE6536

Rechtbank Zwolle

Datum uitspraak
8 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 02/80
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.C. Moorman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:6 AwbArt. 12 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen sepotbesluit wegens ontbreken besluit in zin van Awb

Eiseres ontving een brief van de officier van justitie waarin werd medegedeeld dat zij niet vervolgd zou worden voor ontucht, maar dat een schriftelijke waarschuwing werd opgelegd en het incident werd geregistreerd. Eiseres diende een bezwaarschrift in tegen deze beslissing, waarop geen besluit werd genomen. Vervolgens stelde zij beroep in bij de bestuursrechter wegens het uitblijven van een beslissing.

De rechtbank oordeelde dat het besluit tot niet-vervolging, zoals het sepotbesluit, onder artikel 1:6 Awb Pro valt en daarom niet als een besluit in de zin van de Awb kan worden beschouwd. Dit betekent dat de bestuursrechter niet bevoegd is om hierover te oordelen en dat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank verwees naar jurisprudentie die stelt dat rechtsbescherming tegen vervolgingsbesluiten via het strafrecht en civiele weg moet worden gezocht.

De rechtbank wees het beroep af wegens niet-ontvankelijkheid en veroordeelde partijen niet in de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het sepotbesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het sepotbesluit geen besluit in de zin van de Awb is.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Reg.nr.: AWB 02/80
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A, eiseres, wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder B, beiden wonende te C,
gemachtigde: mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer,
en
de officier van justitie in het arrondissement Zwolle, verweerder,
gemachtigde: mr. H. Th. Pos, beleidsmedewerker bij het arrondissementsparket Zwolle/Lelystad.
1. Ontstaan en loop van de procedure
Bij brief van 22 september 2000 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat uit een door de politie Deventer opgemaakt proces-verbaal is gebleken dat zij zich in de periode van 1 juni 1999 tot en met 29 maart 200 te Deventer schuldig heeft gemaakt aan ontucht, doch dat ditmaal nog wordt volstaan met een schriftelijke waarschuwing. Voorts heeft verweerder medegedeeld dat aan de Raad voor de Kinderbescherming zal worden gevraagd een onderzoek naar haar in te stellen en dat het voorval wordt aangetekend in het algemeen documentatieregister.
Op 2 november 2000 heeft de gemachtigde van eiseres tegen deze brief een bezwaarschrift ingediend en is onder meer aangevoerd dat geen rekening is gehouden met het uitermate zwaarwegende belang van eiseres een “schoon” strafblad te hebben.
Bij brief van 19 juni 2001 heeft de gemachtigde van eiseres aan verweerder verzocht op het bezwaarschrift een reactie te geven.
Op 15 januari 2002 heeft de gemachtigde van eiseres wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar bij de rechtbank beroep ingesteld. De gemachtigde van eiseres heeft geoordeeld dat het sepotbesluit van verweerder dient te worden vernietigd en dat een nieuw sepotbesluit dient te worden afgegeven, waarbij als sepotgrond zal dienen te gelden: ten onrechte als verdachte aangemeld (sepot 1).
Op 11 februari 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en geconcludeerd dat eiseres in haar bezwaar niet-ontvankelijk is.
Bij brief van 19 maart 2002 heeft de gemachtigde van eiseres op het verweerschrift zijn commentaar geleverd.
Het beroep is op 18 juni 2002 ter zitting behandeld.
Eiseres is verschenen bijgestaan door haar wettelijk vertegenwoordigster en haar gemachtigde, voornoemd.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde, voornoemd.
2. Motivering
Artikel 1:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, voor zover hier van belang, dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van deze wet niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.
Blijkens de wetsgeschiedenis ligt aan de afbakening van de Awb tot het straf(proces) recht ten grondslag dat de toepasselijkheid van de Awb, gelet op de eigenstandige positie van het (materiële en formele) strafrecht en op het feit dat de strafrechtelijke regelgeving uitputtend is bedoeld, tot een ongewenste vermenging van rechtssferen zou leiden (MvT, PG Awb 1, pagina 162).
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een besluit om niet tot vervolging over te gaan, zoals in het onderhavige geval vervat in de brief van 22 september 2002, als vervolgingsbesluit moet worden aangemerkt dat valt onder artikel 1:6 van Pro de Awb. Dit betekent dat eiseres niet in haar beroep kan worden ontvangen gericht tegen de naar het oordeel van de gemachtigde van eiseres fictieve weigering van verweerder een besluit op bezwaar te nemen.
De gemachtigde van eiseres heeft aangevoerd dat het seponeren van een strafbaar feit een niet-vervolgen betreft en daarom wel valt onder artikel 1:6 van Pro de Awb en voorts het seponeren van strafbare feiten in het Wetboek van Strafvordering in het geheel niet is geregeld.
De rechtbank kan hierin de gemachtigde van eiseres niet volgen. Nu een besluit tot vervolging zonder meer valt onder artikel 1:6 Awb Pro dient gelet op de systematiek van de Awb een besluit tot niet-vervolging daar eveneens onder te vallen. De rechtbank heeft in de wetsgeschiedenis voor de stelling van de gemachtigde van eiseres geen steun kunnen vinden.
Voorts moet op grond van de jurisprudentie (Hof ’s-Gravenhage, 27 mei 1997, NJ 1997/601) worden aangenomen dat indien een rechtstreeks belanghebbende zich met de grond van een vervolgingsbeslissing niet kan verenigen, hij of zij daartegen onder omstandigheden bij het Gerechtshof met kans op succes beklag kan doen op basis van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Dat de gemachtigde van eiseres deze procedure in het onderhavige geval als te belastend ervaart kan niet betekenen dat deswege beroep bij de bestuursrechter tot de mogelijkheden zou moeten behoren.
Voor zover het strafrecht op het punt van rechtsbescherming te kort schiet, zal de burgerlijke en niet de bestuursrechter aanvullende rechtsbescherming moeten bieden.
Nu de brief van de officier van justitie van 22 september 2000 niet als een besluit in de zin van de Awb valt aan te merken, kan van een fictieve weigering van verweerder te beslissen op een naar aanleiding van deze brief ingediend bezwaarschrift niet worden gesproken, zodat het namens eiseres ingestelde beroep bij deze rechtbank niet-ontvankelijk is te achten.
De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.
4. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op in tegenwoordigheid van C. Kuiper als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
afschrift verzonden op