ECLI:NL:RBZWO:2002:AF1088

Rechtbank Zwolle

Datum uitspraak
30 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/909 WAO
Instantie
Rechtbank Zwolle
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.J. Szauer-Bos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:32 AwbArt. 8:32.1 AwbArt. 8:32.2 AwbArt. 19 WAOArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bescherming persoonlijke levenssfeer werknemer weegt zwaarder dan toegang werkgever tot medische gegevens in WAO-procedure

De zaak betreft een beroep van werkgever tegen het besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen om aan een werkneemster een WAO-uitkering toe te kennen wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Werkneemster was na een reorganisatie ziek gemeld en onderzocht door een verzekeringsarts, die concludeerde dat zij duurzaam volledig arbeidsongeschikt was.

Werkgever stelde dat zij door de verplichte inschakeling van een arts- en advocaat-gemachtigde in bezwaar- en beroepsprocedures financieel en praktisch werd benadeeld, en dat dit in strijd was met het gelijkheidsbeginsel en het recht op een eerlijk proces. Tevens vorderde zij toegang tot de medische gegevens van de werknemer om haar standpunt adequaat te kunnen onderbouwen.

De rechtbank overwoog dat het belang van de werknemer bij bescherming van haar persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van de werkgever bij toegang tot medische gegevens. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die bevestigen dat de medische besluitenregeling en privacybescherming in procedures voor de administratieve rechter van toepassing blijven. Werkgever kan zich in de beroepsfase laten bijstaan door een advocaat-gemachtigde, maar hoeft niet ook een arts-gemachtigde in te schakelen.

De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit terecht is genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien om partijen te veroordelen in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen de toekenning van de WAO-uitkering aan de werknemer wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Reg.nr.: AWB 01/909 WAO
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A Transport B.V., wonende te B, eiseres,
gemachtigde: mw mr. E.P. Vroegh, advocaat en procureur te Haarlem
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam (uitvoeringsinstelling: GAK Nederland BV – kantoor Zwolle), verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 5 juli 2001, nummer Bz-574.008.14, waarbij het besluit van 20 februari 2001, is gehandhaafd.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 20 februari 2001 heeft verweerder besloten mevrouw X (verder te noemen: werkneemster) met ingang van 5 oktober 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Tegen dit besluit is namens eiseres op 29 maart 2001 een bezwaarschrift ingediend.
Naar aanleiding van dit bezwaarschrift is op 3 juli 2000 een hoorzitting gehouden, waarbij eiseres in de gelegenheid is gesteld om het bezwaarschrift mondeling toe te lichten.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.
Op 14 augustus 2001 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is op 18 september 2002 ter zitting behandeld.
Voor eiseres is verschenen haar directeur, mw. G. Middelbos, bijgestaan door mw. mr. E.P. Vroegh, voornoemd.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door E.H. Siemeling.
3. Motivering
In geding is de vraag of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. De beantwoording van deze vraag is afhankelijk van de vraag of verweerder terecht heeft besloten dat werkneemster met ingang van 5 oktober 2000 volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze laatste vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Werkneemster is 7 jaar werkzaam geweest in dienst van werkgever Z. Ingaande 17 januari 1999 is zij op non-actief gesteld.
Op 15 februari 1999 is werkneemster als administratief medewerkster gedurende 20 uur per week bij eiseres in dienst getreden. Op 7 oktober 1999 heeft werkneemster zich ziek gemeld na een ontslagaanzegging op 5 oktober 1999 wegens reorganisatie.
Werkneemster heeft op 14 juni 2000 aan verweerder verzocht haar een uitkering krachtens de WAO toe te kennen.
De arbeidsovereenkomst tussen werkneemster en eiseres is bij beschikking van de kantonrechter te Zwolle ingaande 10 augustus 2000 ontbonden.
Op 10 augustus 2000 is werkneemster onderzocht door W.A. Hupkes, verzekeringsarts. Op basis van zijn onderzoeksgegevens heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat er voor werkneemster per einde wachttijd geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn. Verweerder heeft vervolgens het hiervoor in rubriek 2 genoemde besluit van 20 februari 2001 genomen.
Werkneemster heeft in het kader van de bezwaarprocedure tegen evenbedoeld besluit verweerder geen toestemming gegeven de medische gegevens aan eiseres ter inzage te geven, waarna verweerder de medische stukken slechts ter inzage heeft willen geven aan een arts-gemachtigde van eiseres.
Bij de hoorzitting op 3 juli 2001 was aanwezig de bezwaarverzekeringsarts W.G.F. Geerlings. Deze heeft op 3 juli 2001 gerapporteerd.
3.1. Beoordeling van het beroep
De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting uiteengezet dat en waarom eiseres van oordeel is dat ondanks de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 juli 2001, nr. 00/3816 WAO en de toepassing door de rechtbank van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet voldoende is tegemoetgekomen aan de criteria van equality of arms.
Eiseres is van oordeel dat zij ook als artikel 8:32, tweede lid van de Awb wordt toegepast gedwongen is zich te laten bijstaan door zowel een arts als een advocaat. Niet alleen is het moeilijk een arts te vinden die bereid is die taak op zich te nemen, ook is het inschakelen van zowel een arts als een advocaat een kostbare zaak.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat juist zij toegang moet hebben tot alle relevante medische bescheiden, het liefst in een zo vroeg mogelijk stadium, om de reïntegratiemogelijkheden af te wegen. In de huidige situatie is eiseres gedwongen deskundigen in te schakelen die haar niet mogen informeren. Zij is dus niet in staat haar eigen standpunt omtrent de medische gegevens ter toetsing voor te leggen, hetgeen meebrengt dat artikel 88c van de WAO in strijd is met artikel 6 EVRM Pro. Gewezen is op een uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 28 juni 2001. Eiseres is van oordeel dat het vrijwel onmogelijk is dat haar gemachtigde in haar plaats kan treden.
Ten slotte is aangevoerd dat de verplichte inschakeling van deskundigen en gemachtigden de laagdrempeligheid van het bestuursrecht volledig teniet doet, nu leken als eiseres zich dienen te verzekeren van adequate en kostbare bijstand op medisch en juridisch gebied.
De rechtbank stelt voorop dat de Centrale Raad van beroep inmiddels in een uitspraak van 13 februari 2002, nr. 00/6205 WAO, expliciet heeft uitgesproken dat een bestuursorgaan als verweerder in het kader van de heroverweging van een eerder genomen besluit op grond van artikel 6 EVRM Pro niet gehouden is af te wijken van de medische besluitenregeling en met name van artikel 88c van de WAO.
In deze uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep tevens zijn reeds eerder ingenomen standpunt dat aan de medische besluitenregeling in procedures voor de administratieve rechter geen onverkorte toepassing kan worden gegeven herhaald.
De Centrale Raad van Beroep heeft er vervolgens op gewezen dat uit de beide hiervoor weergegeven standpunten voortvloeit dat in voorkomende gevallen in de bezwaarschrift-procedure andere, namelijk minder vergaande waarborgen gelden dan in de rechterlijke procedure, hetgeen tot gevolg kan hebben dat rechterlijke procedures aanhangig worden gemaakt om –voor zover mogelijk- kennis te verkrijgen van de aan het primaire besluit ten grondslag liggende medische gegevens en niet, althans niet in de eerste plaats, omdat men het inhoudelijk niet met het desbetreffende besluit eens is. De Centrale Raad van Beroep acht het evenwel niet op zijn weg liggen om dit uit het supranationaal verdrag voortvloeiende onderscheid op te heffen.
Bezien tegen de achtergrond van deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep kan naar het oordeel van de rechtbank de conclusie worden getrokken dat werkgevers als eiseres, die er financiële en/of andere bezwaren tegen hebben om in de bezwaarprocedure een arts-gemachtigde in te schakelen, kunnen volstaan met het maken van bezwaar, om vervolgens, na ongegrondverklaring daarvan, beroep in te stellen, in welke fase zij zich niet (tevens) door een arts-gemachtigde, doch uitsluitend door een advocaat-gemachtigde kunnen laten bijstaan.
Dat de werkgever zich, zoals namens eiseres gesteld, ook in de beroepsfase dient te voorzien van zowel een arts-gemachtigde als een advocaat-gemachtigde vermag de rechtbank niet in te zien. De noodzaak daartoe bestaat naar het oordeel van de rechtbank evenmin als in de beroepsprocedures waarin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 8:32, eerste lid, van de Awb.
De rechtbank ziet er daarbij niet aan voorbij dat in de beroepsfase in het algemeen wel zoveel tijd zal zijn verstreken dat reïntegratie van de betrokken werknemer een illusie zal zijn geworden, en dat de werkgever in deze fase inderdaad genoodzaakt is zich van een arts- dan wel advocaat-gemachtigde te voorzien.
Het alternatief: toegang voor de werkgever zelf in zowel de bezwaar- en beroepsprocedure tot alle relevante medische gegevens over de betrokken werknemer wijst de rechtbank echter van de hand. Dat zou een te grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de werknemer meebrengen.
De rechtbank verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 februari 1995,gepubliceerd in JB 1995/64, waarin het handelde om de privacybelangen van de werknemer in een malusprocedure. Uit deze uitspraak valt af te leiden dat veel gewicht toekomt aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer, ook bezien in het licht van de door de KNMG gehanteerde en inmiddels strakker geformuleerde normen op dat punt en tegen de achtergrond van het standpunt van de wetgever in het kader van de Wet terugdringing ziekteverzuim dat de werkgever in principe niet zal beschikken over medische gegevens van zijn werknemers, indien werknemers dat niet wensen. Naar het oordeel van de rechtbank is sedertdien in deze uitgangspunten geen wijziging gekomen en zijn deze nog onverkort van toepassing.
Het namens eiseres aangedragen argument dat aan de (min of meer gedwongen) inschakeling van een advocaat-gemachtigde en/of een arts-gemachtigde een (aanzienlijk) kostenplaatje is verbonden, hetgeen haaks staat op de beoogde laagdrempeligheid van het bestuursrecht zal dan ook moeten wijken voor het zwaardere belang dat de werknemer heeft bij bescherming van diens persoonlijke levenssfeer, waarbij uiteraard in het kader van de toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb dit belang van de werknemer van geval tot geval zal moeten worden afgewogen tegen het belang van de werkgever dat geen inbreuk wordt gemaakt op zijn recht op toegang tot de rechter en op een eerlijk proces.
In casu heeft de rechtbank, gelet op de aard van de klachten van werkneemster, haar belang bij bescherming van haar persoonlijke levenssfeer zwaarder laten wegen.
De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat in het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens d.d. 28 juni 2001, nr. 37292/97 (F.R. v. Switserland) een wezenlijk andere casus aan de orde was dan de onderhavige. In dit arrest heeft het Hof geoordeeld dat het beginsel van fair trial is geschonden omdat de eisende partij in een door hem aangespannen administratieve beroepsprocedure tegen een uitspraak van een kantonale rechtbank niet in de gelegenheid is gesteld commentaar te leveren op de door deze kantonale rechtbank ingezonden schriftelijke bemerkingen naar aanleiding van zijn beroep, uitmondend in een voorstel tot verwerping van het beroep.
De rechtbank vermag niet in te zien in welk opzicht deze uitspraak van betekenis is bij de beoordeling van het onderhavige beroep. Mogelijk wordt gedoeld op overweging 36 van het Hof, waarin is overwogen dat het beginsel van fair trial in beginsel ook omvat het recht van de deelnemende partijen om kennis te dragen van en commentaar te leveren op al het toegevoegde bewijs en alle ingediende bemerkingen. Te dier zake merkt de rechtbank op dat toepassing van artikel 8:32, tweede lid van de Awb door de rechtbank c.q. de (noodzaak tot) inschakeling van een arts-deskundige in de bezwaarfase er weliswaar aan in de weg staan dat eiseres zelf, bij voorbeeld in de persoon van haar directeur, kennis neemt van een aantal gedingstukken, welke medische gegevens bevatten over de gezondheidstoestand van werkneemster, doch dat dit, bezien in het licht van evenbedoeld arrest van het Hof, geen situatie oplevert welke vergelijkbaar is is met die, waarvan in dit arrest sprake is. Overigens wijst het gebruik door het Hof van de de term “in principle” in overweging 36 er op dat zich naar het oordeel van het Hof kennelijk uitzonderingssituaties kunnen voordoen. Zoals hiervoor overwogen kan daarvan sprake zijn als de persoonlijke levenssfeer van een betrokkene bescherming verdient.
Voor wat betreft de inhoud van het bestreden besluit overweegt de rechtbank het volgende.
Ingevolge artikel 19 WAO Pro heeft de verzekerde, die arbeidsongeschikt wordt, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.
De rechtbank constateert dat werkneemster op 10 augustus 2000 is onderzocht door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts achtte op grond van de medische gegevens in het dossier en op grond van zijn eigen bevindingen ten tijde van zijn onderzoek geen duurzaam benutbare mogelijkheden aanwezig bij werkneemster. Op grond van de prognose achtte de verzekeringsarts hoogstens op wat langere termijn verbetering te verwachten.
De bezwaarverzekeringsarts heeft na de hoorzitting gerapporteerd dat de geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gebracht. Hij heeft er melding van gemaakt dat de arts-gemachtigde van eiseres niet heeft bestreden dat werkneemster geheel arbeidsongeschikt is, doch dat is aangevoerd dat die arbeidsongeschiktheid situatief is bepaald. Die conclusie is door de bezwaarverzekeringsarts gedeeltelijk onderschreven, doch heeft geen wijziging gebracht in diens oordeel dat het standpunt van de primaire verzekeringsarts juist is.
Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake geweest van een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek.
De rechtbank ziet, gelet op de medische bevindingen, zoals deze in de medische rapportages zijn weergegeven, geen aanleiding om de daaruit volgende conclusie ten aanzien van de voorlopig volledige arbeidsongeschiktheid van werkneemster voor onjuist te houden.
Overeenkomstig de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen en de uitkomst van het medisch onderzoek door de verzekeringsarts heeft verweerder dan ook terecht besloten werkneemster met ingang van 5 oktober 2000 een WAO-uitkering toe te kennen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De rechtbank merkt op dat het onderhavige geding slechts de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster betreft. Voor zover eiseres met het argument dat er een lagere sanctie moet worden opgelegd, het oog heeft op de hoogte van een op te leggen gedifferentieerde premie, bij de berekening waarvan de aan werkneemster toegekende WAO-uitkering een rol speelt, merkt de rechtbank op dat ten aanzien van de premieoplegging een afzonderlijk besluit zal volgen waartegen bezwaar/beroep mogelijk is.
De in de aanhef van deze rubriek gestelde vraag moet dan ook bevestigend worden beantwoord, zodat het beroep van eiseres ongegrond zal worden verklaard.
De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.
4. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Gewezen door mw mr. J.J. Szauer-Bos en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2002 in tegenwoordigheid van mw G. Ballast als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
afschrift verzonden op