ECLI:NL:RBZWO:2004:AP0617
Rechtbank Zwolle
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering onbevoegdheid rechtbank inzake Flora- en faunawet eendenkooi
In deze zaak vordert eiser [A], eigenaar van een boerderij met een geregistreerde eendenkooi, een verklaring voor recht dat handelingen van gedaagde [B] en de Staat binnen de afpalingskring van de eendenkooi onrechtmatig zijn, omdat deze zonder zijn toestemming zijn verricht in strijd met artikel 59, lid 2 van de Flora- en faunawet.
De Staat stelt incidenteel dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren omdat de grondslag van de hoofdvordering geen betrekking heeft op de exclusieve procedure die volgens haar van toepassing is. Daarnaast voert de Staat aan dat de commissie, niet hijzelf, in rechte betrokken had moeten worden.
De rechtbank oordeelt dat de primaire incidentele vordering van de Staat tot onbevoegdheid moet worden afgewezen, omdat de grondslag van de hoofdvordering zich richt op onrechtmatig handelen van de Staat in de uitvoering van de Flora- en faunawet, en niet op de gedeeltelijke opheffing van het afpalingsrecht. Het subsidiaire verweer dat de commissie betrokken had moeten worden, wordt als een inhoudelijk verweer beschouwd dat in de hoofdzaak aan de orde komt.
De rechtbank verklaart zich bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen en wijst de incidentele vordering af. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst de incidentele vordering van de Staat tot onbevoegdheid af.