ECLI:NL:RBZWO:2004:AR3624

Rechtbank Zwolle

Datum uitspraak
8 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
209038 CV 03-3068
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 RvArt. 225 RvArt. 226 RvArt. 227 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid van vordering na overlijden eiser in huurgeschil

In deze zaak vordert de eiser betaling van een bedrag van €112.835,74 van zijn voormalige huurster. Voor de inhoudelijke beoordeling wordt eerst ambtshalve onderzocht of de eiser in zijn vordering kan worden ontvangen, nu vaststaat dat hij vóór de dagvaarding is overleden.

Omdat de rechtsbevoegdheid van de eiser is geëindigd door zijn overlijden, rust de bevoegdheid om de vordering in te stellen bij zijn erfgenamen. De dagvaarding is echter op naam van de overleden eiser uitgebracht, waardoor de vordering door een niet-bestaande persoon is ingesteld.

De poging van de zoon van de eiser om de procedure voort te zetten faalt omdat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit niet toestaat indien de eiser vóór de aanvang van het geding overlijdt. Ook het instellen van de vordering door de gezamenlijke erfgenamen wordt afgewezen wegens het ontbreken van een verklaring van erfrecht en onduidelijkheid in de dagvaarding.

De kantonrechter concludeert dat de eiser niet in zijn vordering kan worden ontvangen. De zaak wordt verwezen naar de rolzitting om partijen de gelegenheid te geven nadere uitlatingen te doen en de erfgenamen de mogelijkheid te bieden incidenteel tussen te komen in het geding.

Uitkomst: De eiser wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering vanwege overlijden vóór dagvaarding en ongeldige voortzetting van de procedure.

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E
sector kanton – locatie Zwolle
Zaaknr.: 209038 CV 03-3068
datum : 8 juni 2004
Vonnis in de zaak van:
[EISER],
overleden op [datum],
in leven wonende te [woonplaats],
eisende partij, verder te noemen: “[eiser]”,
gemachtigde mr. M.A.J. Aerts, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden,
tegen
de besloten vennootschap [gedaagde].,
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde partij, verder te noemen: “[gedaagde]”,
gemachtigde mr. F.G. Kuiper, advocaat te Utrecht.
De procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- de dagvaarding d.d. 23 juli 2003, ten verzoeke van [eiser] uitgebracht,
- een conclusie van antwoord van [gedaagde],
en vervolgens, nadat ingevolge een tussenvonnis van 4 november 2003 op 30 maart 2003 een comparitie van partijen was gehouden:
- een conclusie van repliek van [eiser] alsmede de daartoe ter griffie gedeponeerde stukken en
- een conclusie van dupliek van [gedaagde].
Het geschil
De vordering van [eiser] strekt tot veroordeling van zijn voormalige huurster [gedaagde] tot betaling van een totaalbedrag van € 112.835,74, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2002, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
Daartegen heeft [gedaagde] verweer gevoerd met conclusie dat [eiser] in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard althans dat zijn vorderingen worden afgewezen, onder zijn veroordeling in de proceskosten.
De beoordeling
1.
Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil toe te komen, dient ambtshalve bezien te worden of [eiser] in zijn vordering kan worden ontvangen. Daartoe diene het volgende.
2.
Vast staat dat [eiser] op [datum] is overleden, waardoor zijn persoonlijkheid, en daarmee zijn rechtsbevoegdheid, teniet is gegaan. Dit betekent dat de bevoegdheid om een vordering jegens een ander in te stellen is komen te rusten bij de erfgenamen van [eiser] als degenen die hem onder algemene titel zijn opgevolgd en bij wie aldus het belang bij het gevorderde is komen te liggen.
De inleidende dagvaarding is evenwel op 23 juli 2003 ten name van [eiser] aan [gedaagde] uitgebracht. Dit betekent dat de vordering is ingesteld door een niet (meer) bestaande persoon.
3.
Voor zover (vanaf de comparitie van partijen) wordt beoogd dat de procedure wordt voortgezet door [X], zoon van [eiser], althans dat hij voor zijn vader optreedt, is dat zonder succes. Een dergelijke overgang van de hoedanigheid van procespartij van de ene persoon op de andere kan niet worden gegrond op enige regel uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
De in de artikelen 225 e.v. Rv neergelegde regeling is immers slechts toepasselijk indien [eiser] na de aanvang van het rechtsgeding zou zijn overleden, hetgeen niet het geval is.
4.
Voor zover wordt beoogd dat de vordering moet worden beschouwd als te zijn ingesteld door de gezamenlijke erfgenamen van [eiser], kan zulks niet worden aanvaard. Allereerst ontbreekt een verklaring van erfrecht. Bovendien is op geen enkele manier in de dagvaarding aangegeven dat de vordering is ingesteld door de erfgenamen.
5.
Het voorgaande dwingt dan ook tot de conclusie dat [eiser] niet in zijn vordering kan worden ontvangen. Het feit dat de erfgenamen mogelijk de vordering jegens [gedaagde] - wat daar verder ook van zij - handhaven en (opnieuw) in rechte aanhangig maken, maakt dat niet anders.
6.
Aangezien gesteld noch gebleken is dat partijen bovenvermelde processuele complicatie onder ogen hebben gezien en partijen aldus ter zake zouden worden verrast, zal de kantonrechter de zaak naar de rol verwijzen voor nadere uitlating omtrent het voorgaande.
Dit biedt tevens de erfgenamen van [eiser] de mogelijkheid, indien zij zulks wensen, om op de voet van het bepaalde bij de artikelen 217 e.v. Rv op de betreffende roldatum een incidentele conclusie tot tussenkomst in het geding te nemen, op welke conclusie als dan zal mogen worden geantwoord.
De beslissing
De kantonrechter:
- verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 6 juli 2004 te 09.30 uur voor akte uitlating door beide partijen als bedoeld in de eerste alinea van r.o. 6.;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus gewezen door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 8 juni 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.