ECLI:NL:RVS:1996:AD7349
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering vergunning invoer beschermde vogels wegens strijd met EU-recht
Appellant verzocht om een vergunning voor de invoer van 50 paar roodvoorhoofdkanaries en vijf paar haakbekken uit Denemarken, vogels die in gevangenschap geboren en opgekweekt zijn. De Staatssecretaris weigerde deze vergunning op grond van de Vogelwet 1936, die het bezit en de invoer van beschermde vogels verbiedt, en beriep zich op de Vogelrichtlijn en de Conventie van Bern.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de Vogelrichtlijn niet van toepassing is op in gevangenschap geboren en opgekweekte vogels, zoals bevestigd in een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Hierdoor is het nationale verbod op invoer van deze vogels als een maatregel van gelijke werking aan te merken die alleen op grond van artikel 36 van Pro het EG-Verdrag gerechtvaardigd kan worden.
De Staatssecretaris heeft ter rechtvaardiging van het invoerverbod een beroep gedaan op de Conventie van Bern, maar de Afdeling stelde vast dat dit beroep onvoldoende is gemotiveerd en niet onverkort kan worden aangenomen. Het besluit voldoet daardoor niet aan het vereiste van een kenbare en deugdelijke motivering en is in strijd met het Gemeenschapsrecht.
De Afdeling vernietigt het bestreden besluit en gelast dat de Staat het door appellant betaalde recht vergoedt.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de vergunning voor invoer van beschermde vogels wordt vernietigd wegens strijd met het Europese recht en onvoldoende motivering.