ECLI:NL:RVS:1997:AE0422
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding schade tankpark door verlegging Kanaal door Zuid-Beveland
In deze bestuursrechtelijke procedure gaat het om het geschil tussen verzoeker, een handelsmaatschappij gespecialiseerd in (olie-)opslag, en de Minister van Verkeer en Waterstaat over de vergoeding van schade die is ontstaan door verbeteringswerkzaamheden aan het Kanaal door Zuid-Beveland.
Verzoeker had schade geleden doordat de nieuwe loswal, onderdeel van de kanaalverbetering, verder van het tankpark was gelegen, wat leidde tot langere transportleidingen. De Minister wees het verzoek tot vergoeding af, stellende dat verzoeker het risico van de kanaalverlegging bij de investering in het tankpark in 1974 had aanvaard.
De rechtbank oordeelde dat de risicoaanvaarding te strikt werd geïnterpreteerd en dat de schadevergoeding niet zonder meer kon worden uitgesloten, waardoor het besluit van de Minister werd vernietigd. De Raad van State stelt echter dat de mogelijkheid van kanaalverlegging in voldoende mate kenbaar was bij de investeringsbeslissing, zodat verzoeker het risico had moeten inschatten.
Daarmee vernietigt de Raad van State het vonnis van de rechtbank voor zover het de schadevergoeding voor het tankpark betreft en verklaart het beroep van verzoeker ongegrond. Voor het overige wordt het vonnis bevestigd. De kosten van deskundigenbijstand kunnen onder omstandigheden wel tot vergoeding worden toegelaten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een redelijke inschatting van risico's bij investeringen in relatie tot bestuursrechtelijke schadevergoedingen.
Uitkomst: Het beroep van verzoeker wordt ongegrond verklaard en de schadevergoeding voor het tankpark wordt afgewezen.