ECLI:NL:RVS:1998:AE8937

Raad van State

Datum uitspraak
4 mei 1998
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
F01.98.0055/P80
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening na ongegrond verzet tegen bestuursbesluit

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit verzoek volgde op een eerdere uitspraak waarbij het bestuursbesluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant werd vernietigd wegens gegrondverklaring van het beroep van verzoeker.

Gedeputeerde staten hadden hiertegen verzet aangetekend, maar dit verzet werd door de Afdeling bestuursrechtspraak ongegrond verklaard, waardoor definitief is beslist over het geding. Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening te treffen totdat definitief over het geschil was beslist.

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat, nu definitief was beslist dat het verzet ongegrond was, het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond was en wees dit af. Tevens werd geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd gedaan zonder oproeping en verhoor van partijen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat definitief is beslist dat het verzet ongegrond is.

Uitspraak

Raad
van State
No. F01.98.0055/P80.
Datum uitspraak: 4 mei 1998.
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker).
Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 januari 1998, no. E01.95.0539/P02, verzonden op 26 januari 1998, gedaan met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, is, met gegrondverklaring van het beroep van verzoeker, vernietigd het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 27 september 1995, Dienst Ruimtelijke ordering, Natuur en landschap en Volkshuisvesting, Afdeling BG, no. 138584.
Tegen deze uitspraak hebben gedeputeerde staten van Noord-Brabant bij brief van 19 februari 1998 verzet op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gedaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
Verzoeker heeft zich bij brief van 12 februari 1998 tot de Voorzitter gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
In rechte
In artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is, voor zover hier van belang, bepaald dat hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing is indien bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is het mogelijk om, indien tegen een besluit beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening te treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Naar het oordeel van de Afdeling moet deze bepaling aldus worden verstaan dat het mogelijk is om op verzoek een voorlopige voorziening te treffen totdat definitief ten aanzien van het geding is beslist.
Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Voorzitter, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder oproeping en verhoor van partijen.
Bij uitspraak van heden, no. E01.95.0539/Y02, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het door gedeputeerde staten van Noord-Brabant gedane verzet ongegrond verklaard, zodat ten aanzien van het geding definitief is beslist.
In verband met het vorenstaande moet het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, als kennelijk ongegrond, worden afgewezen.
De Voorzitter acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 1998.
1