ECLI:NL:RVS:1999:AA3609
Raad van State
- Hoger beroep
- P.J. Boukema
- J.H.B. van der Meer
- J.H. Grosheide
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rijksvergoeding 1994 Prinses Julianaschool en onderzoeksplicht bestuursorgaan
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen stelde bij besluit van 29 november 1996 de rijksvergoeding voor de Prinses Julianaschool over 1994 vast op f 763.515,18, waarbij een bedrag van f 48.114,53 aan te veel betaalde voorschotten werd verrekend. De Vereniging tot Stichting en Instandhouding van Christelijk Nationale Scholen te Gouda stelde beroep in tegen dit besluit bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, die het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde.
De Staatssecretaris stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. De kern van het geschil betrof de onderzoeksplicht van het bestuursorgaan op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het vaststellen van de rijksvergoeding. De rechtbank had geoordeeld dat de Staatssecretaris bij een aanvraag die meer dan vijf procent lager was dan het verstrekte voorschot, moest nagaan of er geen fout was gemaakt.
De Raad van State oordeelde dat het bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van het door het bevoegd gezag ingediende en door een accountant gewaarmerkte aanvraagbedrag. De verantwoordelijkheid voor de juistheid van de aanvraag ligt primair bij het bevoegd gezag. Het bestuursorgaan mag een beleid hanteren waarbij alleen bij een verschil groter dan f 50.000 en meer dan 66% van de gevraagde vergoeding nadere informatie wordt gevraagd. In dit geval was niet voldaan aan die voorwaarden, en er waren geen feiten die afwijking van het beleid rechtvaardigden.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep bij de rechtbank ongegrond. Er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep bij de rechtbank wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.