AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van belanghebbendheid en ontvankelijkheid bij bezwaar tegen VBS-tarief facturen
De zaak betreft hoger beroepen van agenten en hun vertegenwoordigden tegen uitspraken van de rechtbank Rotterdam over het verkeersbegeleidingstarief voor scheepvaartverkeer (VBS-tarief). De agenten hadden bezwaar gemaakt tegen facturen van de Inspecteur van de Belastingdienst Douane, die door de rechtbank deels werden vernietigd en bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad van State overweegt dat de agenten niet kapitein, eigenaar of rompbevrachter zijn, en dat hun belang afgeleid is van dat van de principaal. Dit betekent dat zij niet als belanghebbenden bij de besluiten kunnen worden aangemerkt. Ook het feit dat zij namens de betalingsplichtigen betalen of borg staan, verandert hier niets aan.
Verder oordeelt de Raad dat de door de agenten vertegenwoordigden eerst bezwaar hadden moeten maken voordat zij beroep konden instellen, wat zij niet hebben gedaan. Er is geen reden om dit verzuim te verontschuldigen, waardoor de beroepen niet-ontvankelijk zijn. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraken en wijst de hoger beroepen af.
Uitkomst: De hoger beroepen worden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
2. C Holding B.V. en D Scheepvaart Maatschappij B.V., gevestigd te B
3. D & Co. B.V., gevestigd te B
4. E Agenturen B.V., gevestigd te F
5. G & H B.V., gevestigd te F
6. I & J B.V., gevestigd te F
(hierna: de agenten)
7. de door de agenten vertegenwoordigden (d.w.z. de kapitein, eigenaar of rompbevrachter van een zeeschip) (appellanten)
tegen de uitspraken van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 19 januari 1998 in de gedingen tussen: appellanten en de Inspecteur van de Belastingdienst Douane, district Rotterdam.
1. Procesverloop
De Inspecteur van de Belastingdienst Douane, district Rotterdam, (hierna: de Inspecteur) heeft aan ieder der agenten een of meer facturen gezonden voor de heffing van het verkeersbegeleidingstarief voor het scheepvaartverkeer (hierna: het VBS-tarief).
Tegen deze besluiten is door de agenten bezwaar gemaakt.
Bij verschillende, nagenoeg gelijkluidende, besluiten heeft de Inspecteur de bezwaren ongegrond verklaard. Eén van deze besluiten is aangehecht.
Tegen deze besluiten hebben de agenten mede namens de door hen vertegenwoordigden beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank).
Bij afzonderlijke, nagenoeg gelijkluidende, uitspraken van 19 januari 1998, verzonden op 23 januari 1998, kenmerk DIVERS 9611755-F4, respectievelijk nrs 1764, 1766, 1769, 1770, 1918, 1920, 1921 en 2185 t/m 2190, heeft de rechtbank de beroepen van de agenten gegrond verklaard, de beslissingen op bezwaar vernietigd, het bezwaar van de agenten alsnog niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen van de door de agenten vertegenwoordigden niet-ontvankelijk verklaard. Eén van deze uitspraken is aangehecht.
Tegen deze uitspraken hebben appellanten bij brief van 2 maart 1998, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 1998, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 19 juni 1998 heeft de Inspecteur een memorie ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de Inspecteur toegezonden.
De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 14 september 1998, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr G.J.W. Smallegange, advocaat te Rotterdam, ir. P.P. Noë en P. van Santen, en de Inspecteur, vertegenwoordigd door mr A.B. van Rijn en mr R.J.M. van den Tweel, advocaten te Den Haag, en mr L.J. Clement en mr J.A.A. Schreuder, ambtenaren bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 15c, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet (hierna: de Svw), voor zover hier van belang, is de kapitein, eigenaar of rompbevrachter van een zeeschip gehouden het VBS-tarief te betalen.
In artikel 1 5d, tweede lid, is bepaald dat het VBS-tarief verschuldigd is aan het Rijk en dat bij algemene maatregel van bestuur de scheepvaartwegen worden aangewezen waarop het tarief is verschuldigd en de maatstaven voor de toepassing en de vrijstellingen van het VBS-tarief worden geregeld.
Aan het bepaalde in artikel 15d, tweede lid, van de Svw is uitvoering gegeven bij het Besluit verkeersbegeleidingstarieven scheepvaartverkeer van 4 november 1994, Stb. 807 (hierna: het BVS). Ingevolge artikel 8 vanPro het BVS dient door of namens de kapitein, eigenaar of rompbevrachter van een naar zee vertrekkend zeeschip, waarvoor het tarief nog niet is voldaan, ten genoegen van de met de inning van dit tarief belaste instantie zekerheid te worden gesteld voor de betaling van het tarief.
Ten aanzien van de hoger beroepen van de agenten
2.2 De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat door
de agenten bezwaar is gemaakt tegen de facturen voor de heffing van het
VBS-tarief en dat het beroep tegen de diverse beslissingen op bezwaar is
ingesteld mede namens de door de agenten vertegenwoordigden. Naar haar
oordeel is het belang van de agenten niet rechtstreeks betrokken bij de
facturen voor de heffing van het VBS-tarief. Gelet hierop heeft de rechtbank de beslissingen op bezwaar vernietigd en de bezwaren van de agenten alsnog niet-ontvankelijk verklaard.
2.3. Vast staat dat de agent niet kapitein, eigenaar of rompbevrachter is van de zeeschepen waarop de aan hem toegezonden facturen betrekking hebben. Anders dan de agenten hebben betoogd, is de enkele omstandigheid dat de desbetreffende besluiten door hun tussenkomst aan de vertegenwoordigden zijn bekend gemaakt, niet voldoende om hen als belanghebbende bij die besluiten aan te merken. Er is een materiële betrokkenheid bij het besluit vereist. Dat zij in de praktijk steeds namens de betalingsplichtige(n) hebben betaald, betekent evenmin dat hun belang rechtstreeks bij die besluiten is betrokken. Hun belang is afgeleid van dat van
de principaal, tot wie zij in een privaatrechtelijke betrekking staan. De borgstelling van de agent ten gunste van de door hem vertegenwoordigde(n) maakt dit niet anders. De agent is niet uit eigen hoofde verplicht tot het verschaffen van de zekerheid; ingevolge artikel 8 vanPro het BVS heeft alleen de kapitein, eigenaar of rompbevrachter die verplichting. Dat de principaal in incidentele gevallen geen verhaal blijkt te bieden, maakt de agent evenmin tot belanghebbende. Tot slot merkt de Afdeling op dat de door appellanten aangehaalde uitspraak van 27 juni 1997 IJB 1997, 191) ziet op de hier niet aan de orde zijnde vraag in hoeverre een concurrent belanghebbende kan zijn. Hieruit volgt dat het belang van de agenten niet rechtstreeks bij de facturen is betrokken en dat de rechtbank terecht de beslissingen op bezwaar heeft vernietigd en het bezwaar van de agenten alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Ten aanzien van de hoger beroepen van de door de agenten vertegenwoordigden
2.4 Wat betreft de door de agenten namens de door hen
vertegenwoordigden ingestelde beroepen heeft de rechtbank overwogen dat
die vertegenwoordigden, alvorens beroep in te stellen, eerst bezwaar hadden
dienen te maken, hetgeen zij niet hebben gedaan. Omdat de rechtbank niet is
gebleken van enige reden op grond waarvan hen dit verzuim redelijkerwijs
niet kan worden verweten en zich derhalve niet de in artikel 6:13 vanPro de Algemene wet bestuursrecht bedoelde uitzondering voordoet, heeft zij de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.
De Afdeling ziet geen grond voor een ander oordeel.
2.5 Slotsom is dat de hoger beroepen ongegrond zijn. De aangevallen
uitspraken dienen te worden bevestigd.
2.6 Voor zover appellanten hebben opgemerkt dat in sommige van de
aangevallen uitspraken een aantal vergissingen, weglatingen en/of kennelijke fouten en/of verschrijvingen is geslopen, zoals een onjuiste tenaamstelling van partijen of een gebrekkige weergave van het kenmerk van de bestreden
besluiten, wordt overwogen dat deze kennelijke, voor partijen kenbare en
voor eenvoudig herstel vatbare onjuistheden zich voor verbetering door de
rechtbank zelf lenen. Een grond voor vernietiging van een of meer van de
aangevallen uitspraken is daarin niet gelegen.
2.7 Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling in
hoger beroep.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus vastgesteld door mr P. van Dijk, Voorzitter, en mr R.H. Lauwaars en mr B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr E.O.H.P. Florijn, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Florijn
Voorzitter ambtenaar van Staat
No's: H01.98.0357, 0376, 0377, 0379, 0384,
0385, 0391, 0393, 0416, 0418 t/m 0421 en 0423
Verzonden: 04 nov 1999
Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,