ECLI:NL:RVS:1999:AA3747

Raad van State

Datum uitspraak
2 augustus 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
H01.97.0908/YO1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
  • P. van Dijk
  • J.J.H. Suyver
  • C.A. Terwee van Hilten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 19 WroArt. 44 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bouwvergunning wegens strijd met bestemmingsplan en ontbreken vrijstelling

Opposant heeft verzet ingesteld tegen een uitspraak van 23 maart 1999 waarin een bouwvergunning werd geweigerd. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzet behandeld en opposant gehoord op 15 juli 1999.

De kern van het geschil betreft de vraag of het bouwplan, dat voorziet in de bouw van een burgerwoning op een perceel met een agrarische bestemming, kan worden toegestaan. De Afdeling oordeelt dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan en dat vrijstelling op grond van artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet mogelijk is omdat er geen voorbereidingsbesluit geldt en ook geen ontwerp voor herziening van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel door opposant wordt verworpen omdat dit niet kan leiden tot verlening van een bouwvergunning in strijd met de wet. Verder is geoordeeld dat artikel 6 EVRM Pro niet vereist dat partijen in deze procedure opnieuw worden gehoord, aangezien opposant reeds in eerdere procedure is gehoord en niet te verwachten viel dat hij nieuwe relevante feiten zou aandragen.

Daarom verklaart de Afdeling het verzet ongegrond en bevestigt de weigering van de bouwvergunning.

Uitkomst: Het verzet tegen de weigering van de bouwvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Raad van State
H01.97.0908/YO1.
Datum uitspraak: 2 augustus 1999
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzet van:
A te B (opposant).
1. Procesverloop
Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 maart 1999, verzonden op dezelfde datum, gedaan met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, is bevestigd de door opposant aangevallen uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 9 juni 1997. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.
Tegen de uitspraak van 23 maart 1999 heeft opposant bij briefvan 28 april 1999 verzet op grond van artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gedaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Dit verzetschrift is aangehecht.
Opposant is ingevolge zijn verzoek op 15 juli 1999 gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Aan de orde is de vraag of de Afdeling bij de uitspraak, waarvan verzet, heeft kunnen en mogen oordelen dathet hoger beroep kennelijk ongegrond was en dat derhalve voortzetting van het onderzoek niet nodig was.
2.2 Die vraag moet naar het oordeel van de Afdeling bevestigend worden beantwoord. Daartoe wordt overwogen dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan, op grond waarvan het betrokken perceel een agrarische bestemming heeft. De bouw van een burgerwoning op die bestemming is niet toegestaan. Vrijstelling op grond van artikel 19 van Pro de Wetop de Ruimtelijke Ordening kan slechts worden verleend indien voor het gebied ofwel een voorbereidingsbesluit geldt ofwel een ontwerp voor een herziening van het bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Het één noch het ander is het geval.
De door opposant genoemde structuurschets is niet gelijk testellen met een ter inzage gelegd ontwerp voor een herzieningvan het bestemmingsplan.
Aan de wettelijke vereisten voor toepassing van artikel 19van de Wet op de Ruimtelijke Ordening was derhalve niet voldaan. Nu het verlenen van vrijstelling derhalve niet mogelijkwas, kon de bouwvergunning, gelet op artikel 44 van Pro de Woningwet, niet anders dan worden geweigerd. Het door opposant gedane beroep op het vertrouwensbeginsel kan, wat daarvanzij, niet leiden tot verlening van een bouwvergunning instrijd met de wet.
2.3. Voor het oordeel dat de aan artikel 8:54, eerste lid,van de Algemene wet bestuursrecht gegeven toepassing instrijd is met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenbestaat geen grond. De daarin neergelegde garanties van eeneerlijke procesvoering houden geen algemene verplichting intot het horen van partijen in een rechtsgeding, zeker niet in een geval als het onderhavige, waar opposant in de procedure bij de rechtbank reeds is gehoord en niet te verwachten viel dat hij in de hoger beroepsprocedure ter zitting nog nieuwe relevante feiten en omstandigheden zou kunnen aanvoeren.
2.4. Het verzet is mitsdien ongegrond.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het verzet ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr.J.J.H. Suyver en mr. C.A. Terweevan Hilten, Leden,
in tegenwoordigheid van A.M.Th. Schuller, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk Voorzitter
w.g. Schuller ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 1999
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
H01.97.0908/YO1.
Verzonden:2 augustus 1999