ECLI:NL:RVS:1999:AA3748

Raad van State

Datum uitspraak
6 augustus 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
H01.99.0070
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • J.H. Grosheide
  • J.J.H. Suyver
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 lid 6 WROArt. 8:5 AwbArt. 11 WROArt. 19 WRO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vergunningen bouw woning en fazantenstal in strijd met bestemmingsplan bevestigd

Appellant verzocht om vergunningen voor de bouw van een woning en een fazantenstal op een perceel in Anna Paulowna. Burgemeester en wethouders weigerden deze vergunningen op grond van strijd met het geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 1970" en het in procedure zijnde bestemmingsplan "Landelijk gebied 1992". De rechtbank vernietigde aanvankelijk het besluit tot weigering, maar verklaarde het beroep later ongegrond.

Het geschil spitst zich toe op de toepassing van artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de mogelijkheid tot anticipatie op de wijzigingsbevoegdheid van het bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 4, zesde lid, van dat plan. De Raad van State oordeelt dat burgemeester en wethouders niet verplicht waren om te anticiperen, omdat de weigering om de wijzigingsbevoegdheid toe te passen als een gegeven moet worden beschouwd.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat besluiten tot wijziging van het bestemmingsplan en weigeringen daartoe niet door de bestuursrechter kunnen worden beoordeeld. Hierdoor was anticipatie niet mogelijk en was de weigering van de vergunningen terecht. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, zij het met verbetering van gronden, en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat burgemeester en wethouders terecht de vergunningen hebben geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan en de onmogelijkheid tot anticipatie.

Uitspraak

Raad van State
H01.99.0070.
Datum uitspraak: 6 augustus 1999
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
A te B, appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 26 november 1998 in het geding tussen: appellant en burgemeester en wethouders van Anna Paulowna.
1 Procesverloop
Bij uitspraak van 23 mei 1996, inzake WRO 94/2116, heeft de arrondissementsrechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank) het besluit van burgemeester en wethouders van Anna Paulowna van 14 oktober 1994, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen hun weigering om met toepassing van de anticipatie procedure vergunningen te verlenen voor de bouw van een woning en een fazantenstal op het perceel kadastraal bekend gemeente Anna Paulowna,[ ], vernietigd.
Bij besluit van 29 april 1997 hebben burgemeester en wethouders het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en hun weigering om de gevraagde vergunningen te verlenen gehandhaafd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 26 november 1998, verzonden op 1 december 1998, heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 30 maart 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juli 1999, waar appellant, vertegenwoordigd door R. Kruijff en bijgestaan door mr. A.Th. Meijer, advocaat te Amsterdam, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. van Schie, advocaat te Purmerend, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Niet in geschil is dat de bouw van de woning en de fazantenstal in strijd is met zowel het ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar voor het perceel geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied 1970", als met de in het bestemmingsplan "Landelijk gebied 1992"dat, gelijk de rechtbank heeft overwogen, destijds nog in procedure was aan het perceel toegekende bestemming "agrarische doeleinden A, onbebouwd".
2.2. Het geschil spitst zich toe op de weigering van burgemeester en wethouders om met toepassing van artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) te anticiperen op de hun in artikel 4, zesde lid, van de voorschriften van laatstgenoemd bestemmingsplan toegekende bevoegdheid tot wijziging van dat plan. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen grond is voor het oordeel dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid hebben kunnen weigeren te anticiperen op deze wijzigingsbevoegdheid.
2.3. Ingevolge artikel 4, zesde lid, voormeld, kunnen burgemeester en wethouders, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van Pro de WRO, de op de kaart aangegeven indeling van de bestemming wijzigen ten behoeve van de aanwijzing van bebouwingsvakken voor de vestiging van nieuwe volwaardige bedrijven met inachtneming van een aantal nader genoemde regels.
2.4. Uit artikel 8:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met onderdeel C, onder 2, van de bij die wet behorende Bijlage (de zogenoemde "negatieve lijst"), vloeit voort dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit tot wijziging van het bestemmingsplan krachtens artikel 4, zesde lid, dan wel tegen de weigering om zodanig besluit te nemen. Zodanige besluiten kunnen derhalve niet door bestuursrechter worden beoordeeld.
2.5. Het vorenstaande brengt met zich dat de weigering van burgemeester en wethouders om gebruik te maken van de hun in artikel 4, zesde lid, toegekende bevoegdheid tot wijziging van het bestemmingsplan, in de onderhavige procedure als een gegeven dient te worden beschouwd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
2.6. Geconcludeerd moet dan ook worden dat anticipatie niet mogelijk was. Burgemeester en wethouders hebben de gevraagde vergunningen derhalve terecht geweigerd.
2.7. De beslissing van de rechtbank is derhalve juist, zij het niet geheel op juiste gronden genomen. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.H. Grosheide en mr. J.J.H. Suyver, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Groverman, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek Voorzitter
w.g. Groverman ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 1999
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,