ECLI:NL:RVS:1999:AA4054

Raad van State

Datum uitspraak
28 oktober 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
H01.99.0097
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.C.K.W. Bartel
  • A. Kosto
  • P.J.J. van Buuren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Regeling financiële tegemoetkoming aan bewoners in verhuis- en herinrichtingskosten 1992Art. 15 Regeling financiële tegemoetkoming aan bewoners in verhuis- en herinrichtingskosten 1992
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten stadsdeel Zeeburg

Appellant verzocht het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg om een tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten van 5.000 gulden in plaats van de toegekende 3.000 gulden. Het bestuur wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte dat eveneens ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.

Appellant stelde in hoger beroep dat bijzondere omstandigheden toepassing van een hogere tegemoetkoming rechtvaardigden. De Raad van State oordeelde dat geen sprake was van een onvermijdelijke ontruiming om technische redenen zoals bedoeld in de Regeling financiële tegemoetkoming aan bewoners in verhuis- en herinrichtingskosten 1992. De werkzaamheden aan de woning betroffen een verbetering op middenniveau, waarvoor de Regeling een lagere tegemoetkoming voorschrijft.

De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en het besluit van het dagelijks bestuur. Er werden geen proceskosten in hoger beroep toegewezen. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 28 oktober 1999.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de hogere tegemoetkoming bevestigd.

Uitspraak

Raad
vanState
H01.99.0097.
Datum uitspraak: 2 8 oktober 1999
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
A te B, appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 4 december 1998 in het geding tussen:
appellant
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg van de gemeente Amsterdam.
1 Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 1996 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zeeburg van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) het verzoek van appellant om een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten van f 5.000,--, in plaats van f 3.000,--, afgewezen.
Bij besluit van 18 maart 1997 heeft het dagelijks bestuur het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het ongedateerde advies van de Awb-commissie, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 4 december 1998, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 januari 1999, bij de Raad van State ingekomen op 13 januari 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 juni 1999. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 8 juli 1999 heeft het dagelijks bestuur een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 1999, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr C.H. Babeliowsky, mr M.A. Schaap en mr M.R. Verhagen, ambtenaren van het stadsdeel Zeeburg, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Op het onderhavige geschil is van toepassing de Regeling financiële tegemoetkoming aan bewoners in verhuis- en herinrichtingskosten 1992 (hierna: de Regeling). Voor een overzicht van de toepasselijke artikelen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Op grond van de Verordening op de stadsdelen heeft de raad van de gemeente Amsterdam de hier van belang zijnde bevoegdheden van burgemeester en wethouders overgedragen aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen, waaronder het stadsdeel Zeeburg.
2.2. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat het dagelijks bestuur zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het geval van appellant geen sprake is van een onvermijdelijke ontruiming om technische redenen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder 1, sub h, van de Regeling, nu bij de werkzaamheden aan de woning van appellant geen van de in dit artikel genoemde voorzieningen zijn uitgevoerd. De omstandigheid dat door het gebruik van een wisselwoning de aannemer de werkzaamheden in een ontruimde woning kon verrichten, en op grond daarvan de werkzaamheden zodanig heeft uitgevoerd dat feitelijk van een tijdelijk niet-bewoonbare woning gesproken moet worden, doet hieraan niet af.
2.2.1- Eveneens juist acht de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur de werkzaamheden aan de woning van appellant, ook al bedroegen de kosten daarvan meer dan f 53.000,--, niet heeft behoeven aan te merken als verbetering van woonruimte op hoog niveau waarvoor op grond van artikel 3, eerste lid, onder 1, sub f, van de Regeling ontruiming van de woning noodzakelijk zou zijn geweest en waarvoor de tegemoetkoming in de verhuis- en/of herinrichtingskosten ingevolge de Regeling f 5.000,- bedraagt. Het niveau van de woningverbetering wordt immers bepaald door de aard van de werkzaamheden en gelet daarop was in het onderhavige geval sprake van een verbetering op middenniveau. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur, nu de werkzaamheden van de woning van appellant zagen op verbetering van het woongerief, een tegemoetkoming heeft kunnen toekennen van f 3.000,-.
2.3. Ook in hoger beroep heeft appellant geen zodanig bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het dagelijks bestuur toepassing aan artikel 15 van Pro de Regeling had behoren te geven.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door dr J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr A. Kosto en mr P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Bartel w.g. Boot
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober, 1999
77-202.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,