ECLI:NL:RVS:1999:AA4536
Raad van State
- Verzet
- J.J.R. Bakker
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens gebrek aan bevoegdheid
Opposanten hadden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de arrondissementsrechtbank, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de ondertekenaar van het beroepschrift zijn bevoegdheid om namens een ander op te treden niet had aangetoond. De Raad van State heeft opposanten verzocht deze bevoegdheid aan te tonen, maar zij hebben hier geen gebruik van gemaakt binnen de gestelde termijn.
Opposanten voerden aan dat het aangetekende schrijven niet correct was overhandigd en dat de vertegenwoordiger wel degelijk bevoegd was, mede omdat hij eerder de belangen van de ander had behartigd. De Raad van State oordeelde echter dat het procesrisico voor rekening van opposanten komt en dat het niet aantonen van de bevoegdheid leidt tot niet-ontvankelijkheid.
Het verzet tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard. De Raad benadrukte dat het belang van opposant sub 1 bij de zaak niet afdoet aan de eis van aantoonbare bevoegdheid. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 december 1999.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.