AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging aanschrijving tot aansluiting woning op openbaar riool ondanks bezwaar over afstand en beplanting
Burgemeester en wethouders van Groesbeek hebben appellanten verplicht hun woning aan te sluiten op het openbaar riool, met een dwangsom bij niet-naleving. Appellanten maakten bezwaar tegen deze aanschrijving, stellende dat de afstand tot het riool meer dan 40 meter zou zijn en dat beplanting, waaronder een oude beuk, een overwegend bezwaar vormt tegen de aanleg van afvoerleidingen.
De president van de arrondissementsrechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarop appellanten hoger beroep instelden bij de Raad van State. Deze oordeelde dat het openbaar riool het gemeentelijk rioolstelsel omvat tot aan de perceelsgrens en dat de meting van de afstand door de Rijksdienst van het Kadaster en Openbare Werken betrouwbaar is. De afstand tot het riool is minder dan 40 meter, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder overwegende bezwaren kan worden gemaakt.
Voorts stelde de Raad van State dat de aanwezigheid van beplanting, waaronder de zestig jaar oude beuk, geen overwegend bezwaar vormt. De gemeente heeft aannemelijk gemaakt dat aanleg zonder fatale schade aan de boom mogelijk is en dat de kosten niet onevenredig hoog zijn. Appellanten hebben dit niet weerlegd. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de president bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verplichting tot aansluiting op het openbaar riool bevestigd.
Uitspraak
Raad van State
H01.99.0424.
Datum uitspraak: 18 november 1999
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant 1 en 2] te [woonplaats], appellanten,
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 9 februari 1999 in het geding tussen:
appellanten
en
burgemeester en wethouders van Groesbeek.
1 . Procesverloop
Bij besluit van 11 november 1997 hebben burgemeester en wethouders van Groesbeek (hierna: burgemeester en wethouders) appellanten aangeschreven om binnen dertig werkbare dagen na de bekendmaking van dit besluit hun woning op het perceel [adres] te [woonplaats]aan te sluiten op het openbaar riool, zulks onder verbeurte van een dwangsom van f 500,-- per dag met een maximum van f 5000,-.
Bij besluit van 11 augustus 1998 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de behandeling van de bezwaarschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 9 februari 1999, verzonden op 10 februari 1999, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de president) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij faxbericht van 23 maart 1999 hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 1 april 1999. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 11 mei 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 1999, waar appellante [appellante 2] in persoon, bijgestaan door mr P. Wessing, advocaat te Groesbeek, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door C.L. Schaerlaeckens-Van Koeveringe, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Burgemeester en wethouders hebben de aanschrijving gebaseerd op strijd met artikel 5.3.4. van de bouwverordening van de gemeente Groesbeek (hierna: de bouwverordening) en artikel 11 vanPro het Lozingenbesluit bodembescherming (hierna: het Lozingenbesluit).
2.2. Voorzover appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd dat burgemeester en wethouders de aanschrijving ten onrechte mede hebben gebaseerd op artikel 11 inPro plaats van artikel 5 vanPro het Lozingenbesluit hebben zij dit bezwaar ter zitting ingetrokken.
2.3. Ingevolge artikel 5.3.4., eerste lid, van de bouwverordening, voorzover hier van belang, moeten de in artikel 91, 161, 310, 334, 350 en 396 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en faecaliën, zijn aangesloten aan een openbaar riool.
Ingevolge artikel 5.3.4., tweede lid, voorzover hier van belang, is het gestelde in het eerste lid niet van toepassing op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool zijn gelegen.
Ingevolge artikel 5.3.7. van de bouwverordening, voorzover hier van belang, moet de in artikel 5.3.4. bedoelde afstand "worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet bevindt".
Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Lozingenbesluit is het verboden een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem uit te voeren.
Ingevolge artikel 11, tweede lid, geldt het verbod niet indien de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering meer is dan 40 meter. Ingevolge artikel 11, derde lid, wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.
Ingevolge artikel 1 vanPro het Lozingenbesluit wordt onder riolering verstaan een gemeentelijk rioolstelsel.
2.4. Appellanten komen in hoger beroep op tegen het oordeel van de president dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat de afstand van hun woning tot het openbaar riool meer bedraagt dan 40 meter.
Voorts betogen appellanten dat de president ten onrechte heeft overwogen dat de aanleg van afvoerleidingen langs de kortste lijn op het perceel niet op overwegende bezwaren stuit.
2.5. Anders dan appellanten betogen is het oordeel van de president, dat het openbaar riool als bedoeld in de bouwverordening en het gemeentelijk rioolstelsel als bedoeld in het Lozingenbesluit het rioolstelsel omvat dat is gelegen onder de openbare weg met inbegrip van de zijbuizen, voorzover deze tot aan de grens van een particulier perceel lopen, juist.
Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de door de Rijksdienst van het Kadaster en de Openbare Werken verrichte meting onjuist is. Geen betekenis kan worden gehecht aan de omstandigheid dat in het verleden door de gemeente bij vergissing een zijbuis van het riool is aangelegd naar een ander punt op de perceelsgrens van appellanten dan het punt waar de riolering thans de perceelsgrens raakt en van waaruit de meting is verricht.
Gelet op deze meting heeft de president dan ook terecht aangenomen dat de afstand van de woning van appellanten tot het openbaar riool, gemeten langs de kortste lijn op het perceel, minder bedraagt dan 40 meter.
2.6. Ook de Afdeling is van oordeel dat de aanwezigheid van beplanting, waaronder een zestig jaar oude beuk, niet als een bezwaar in de zin van de bouwverordening en het Lozingenbesluit kan gelden. Burgemeester en wethouders hebben gesteld dat de ervaring heeft geleerd dat de aanleg van een riolering onder een boom door zonder fatale schade aan het wortelstelsel van die boom mogelijk is en dat de kosten daarvan niet onevenredig hoog zijn. Appellanten hebben het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr P.J. Boukema, Voorzitter, en mr B. van Wagtendonk en mr F.P. Zwart, Leden,
in tegenwoordigheid van mr L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.