ECLI:NL:RVS:1999:AD6672
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering subsidie stadsvernieuwing na vervreemding pand binnen tien jaar
Appellant ontving in 1985 een subsidie voor restauratie van een monument, onder de voorwaarde dat bij verkoop binnen tien jaar een deel van de subsidie moest worden terugbetaald. Kort na de subsidieverlening verkocht appellant het pand, waardoor hij volgens de anti-speculatieregeling 90% van de subsidie moest terugbetalen. Burgemeester en wethouders besloten tot terugvordering van een deel van het bedrag, waarbij zij op billijkheidsgronden een vermindering toepasten.
Appellant stelde in hoger beroep dat de subsidie na vijf jaar niet meer kon worden ingetrokken, dat er geen sprake was van speculatie, dat het terugvorderingsbedrag onduidelijk was en dat de subsidie aan een vennootschap was verleend, maar aan hem werd teruggevorderd. De Raad van State oordeelde dat de terugvordering binnen de geldende termijn was en dat het rechtszekerheidsbeginsel niet werd geschonden. De regeling is bedoeld als eenvoudige en uitvoerbare maatregel, waarbij daadwerkelijke speculatie niet relevant is.
Verder werd geoordeeld dat de wijze van berekening van het terugvorderingsbedrag voldoende zorgvuldig was en dat appellant niet anders was behandeld dan vergelijkbare gevallen. Ook was de subsidie aan appellant persoonlijk verleend, waardoor de terugvordering terecht op hem werd gericht. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van een deel van de subsidie wordt bevestigd.