ECLI:NL:RVS:1999:AD8432
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vermogen bij intrekking voorwaardelijke toevoeging rechtsbijstand echtscheiding
Het Bureau rechtsbijstandvoorziening trok met terugwerkende kracht de voorwaardelijke toevoeging aan de aanvrager in, omdat haar financiële draagkracht was toegenomen door een vordering op haar ex-echtgenoot. De rechtbank verklaarde het beroep van de aanvrager gegrond en vernietigde het besluit tot intrekking, stellende dat het vermogen onder de wettelijke grens bleef.
De Raad van State oordeelt dat bij de vaststelling van het vermogen het moment van beëindiging van de rechtsbijstand bepalend is en dat het kontinu-krediet niet in mindering mag worden gebracht. Hierdoor overschrijdt het vermogen van de aanvrager de grens van ƒ 20.000,- zoals genoemd in de Wet op de rechtsbijstand.
Het beroep van de aanvrager op vrijstelling van een deel van de overwaarde van de woning wordt verworpen omdat de verdeling van het vermogen reeds heeft plaatsgevonden. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep alsnog ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de aanvrager wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de voorwaardelijke toevoeging gehandhaafd.