ECLI:NL:RVS:1999:AE3443
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid gemeenteraad Harderwijk tot aanwijzing gronden onder Wet voorkeursrecht gemeenten
De zaak betreft een geschil over het aanwijzingsbesluit van de gemeenteraad van Harderwijk op grond van artikel 8a van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). Burgemeester en wethouders hadden percelen van de bezwaarde aangewezen als gronden waarop de artikelen 10-24, 26 en 27 van de Wvg van toepassing zijn. De bezwaarde maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de gemeenteraad werd afgewezen. De rechtbank vernietigde de beslissing op bezwaar omdat gedeputeerde staten geen verklaring van geen bezwaar hadden afgegeven, terwijl volgens de rechtbank voor het specifieke perceel geen uitbreidingscapaciteit was toegedacht.
De Raad van State stelde echter vast dat de gemeente Harderwijk in algemene zin uitbreidingscapaciteit was toegedacht op grond van het Streekplan Gelderland 1996, en dat voor het nemen van het aanwijzingsbesluit geen verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten vereist was. De Raad oordeelde dat het aanwijzingsbesluit terecht was genomen en dat het gebruik van de gronden afweek van de toegedachte niet-agrarische bestemming. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de bezwaarde ongegrond.
De Raad benadrukte dat het aanwijzingsbesluit een discretionaire bevoegdheid betreft die terughoudend wordt getoetst, en dat het algemeen belang van de gemeente zwaarder weegt dan de individuele belangen van de bezwaarde. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de bezwaarde wordt ongegrond verklaard en het aanwijzingsbesluit van de gemeenteraad blijft in stand.