ECLI:NL:RVS:2000:AA4613
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.K.W. Bartel
- A. Kosto
- B. van Wagtendonk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gedoogplichtbeschikking voor aanleg rivierwatertransportleiding ondanks bezwaar
Appellante, eigenaar van onroerende zaken gelegen in Zevenhuizen, werd door de Minister van Verkeer en Waterstaat verplicht tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van een rivierwatertransportleiding. Deze gedoogplicht werd opgelegd op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht (Bp) en erkende het algemeen nut van het werk.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beschikking en vorderde vernietiging bij het gerechtshof, dat haar gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaarde en haar verwees naar bezwaar bij de Minister. De Minister verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het gerechtshof en de rechtbank terecht oordeelden dat de gedoogplicht rechtmatig was opgelegd, dat het openbaar belang was erkend en dat de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt. Ook werd bevestigd dat de mogelijkheid tot bezwaar en beroep adequaat was geboden en dat de procedure niet in strijd was met het recht op een eerlijk proces volgens artikel 6 EVRM Pro.
De Raad van State verwierp de stellingen van appellante over schending van grondrechten, het ontbreken van algemeen belang en het bestaan van betere alternatieven. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van appellante ongegrond.