ECLI:NL:RVS:2000:AA4627
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
- J.H.B. van der Meer
- C.A. Terwee-van Hilten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing handhaving tegen spontane bosvorming op perceel
Appellant verzocht burgemeester en wethouders van Wageningen handhavend op te treden tegen spontane bosvorming op een perceel dat braak lag en waar natuurlijke bosvorming plaatsvond. Burgemeester en wethouders weigerden dit, waarop appellant bezwaar maakte dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bij de Raad van State werd betoogd dat het nalaten van handelingen ook als gebruik in de zin van artikel 13 van Pro het bestemmingsplan moet worden gezien, en dat handhaving dus mogelijk zou zijn.
De Raad van State overwoog dat op grond van artikel 10 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening bestemmingsplannen alleen verbods- en geen gebodsbepalingen kunnen bevatten, en dat er geen actieve verplichting tot gebruik van de grond bestaat. Het braak laten liggen en het niet gebruiken van het perceel kan niet worden aangemerkt als gebruik in de zin van artikel 13 van Pro de planvoorschriften. Daarom was de weigering van handhaving terecht.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd aan appellant, omdat geen sprake was van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Hiermee is de bevoegdheid van het bestuursorgaan om handhavend op te treden tegen spontane bosvorming op braakliggende grond beperkt.
De uitspraak benadrukt de grenzen van handhavingsbevoegdheden binnen het kader van het bestemmingsplan en de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarbij het nalaten van gebruik niet als overtreding kan worden aangemerkt.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard; handhaving tegen spontane bosvorming niet toegestaan.