ECLI:NL:RVS:2000:AA4834

Raad van State

Datum uitspraak
20 januari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
H01.99.0577
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.A.E. van der Does
  • R.W.L. Loeb
  • B. van Wagtendonk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41a Wet op de jeugdhulpverleningArt. 394 Boek 1 Burgerlijk WetboekArt. 41c Wet op de jeugdhulpverleningBesluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen ouderbijdrage in jeugdhulpverlening wegens kinderbijslagproblematiek

Bij besluit van 4 september 1995 werd aan A een ouderbijdrage van 210 gulden per maand opgelegd voor de plaatsing van een jeugdige in een residentiële voorziening. A maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 17 december 1996 ongegrond werd verklaard. De rechtbank Groningen verklaarde het beroep van A tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat het fundamentele rechtsbeginsel van het sociale minimum werd geschonden doordat een groep ouders geen aanspraak kon maken op kinderbijslag, wat niet in de Wet op de jeugdhulpverlening was verwerkt.

De Raad van State oordeelt dat de ouderbijdrage conform de Wet en het Besluit is vastgesteld en dat het sociale minimum geen algemeen rechtsbeginsel is dat de toepassing van de Wet kan beperken. De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

De uitspraak bevestigt dat de draagkracht van de ouder geen maatstaf is bij het vaststellen van de ouderbijdrage en dat uitzonderingen op de Wet niet aan de orde zijn in deze zaak. Hierdoor blijft de wettelijke regeling inzake ouderbijdragen in de jeugdhulpverlening onverkort van toepassing.

Uitkomst: Het beroep van A wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

Raad van State
H01.99.0577.
Datum uitspraak: 20 JAN. 2000
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, zetelend te Gouda, appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 15 maart 1999 in het geding tussen:
A, wonend te B
en
appellant.
1 Procesverloop
Bij besluit van 4 september 1995 is aan A te B) een bijdrage van f 210,-- per maand opgelegd in verband met de plaatsing van een jeugdige in een residentiële voorziening.
Bij besluit van 17 december 1996 is het hiertegen door A ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 15 maart 1999, verzonden op dezelfde datum, heeft de arrondissementsrechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het door A tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 4 september 1995 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 19 april 1999, bij de Raad van State ingekomen op 20 april 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 1 september 1999 heeft A een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 1999, waar appellant, vertegenwoordigd door mr S.A.M. Oostvogels en L. Nobels, gemachtigden, is verschenen. A is daar niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 41 a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de jeugdhulpverlening (hierna: de Wet) zijn de onderhoudsplichtige ouders, degene tegen wie een op artikel 394 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegronde vordering is toegewezen daaronder begrepen, de onderhoudsplichtige stiefouder en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent van (lees: over) een jeugdige, aan het Rijk een bijdrage verschuldigd in de kosten van verzorging en verblijf in een op grond van deze wet voor bekostiging in aanmerking gebrachte voorziening niet zijnde een voorziening van ambulante hulpverlening.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de ouderbijdrage vastgesteld naar de leeftijd van de jeugdige en de aard van de verzorging en het verblijf, bedoeld in het eerste lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de hoogte van de bijdrage.
In artikel 41 c van de Wet zijn de gevallen vermeld waarin geen bijdrage is verschuldigd.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening (hierna: het Besluit), voor zover hier van belang, bedraagt de hoogte van de ouderbijdrage in de kosten van verzorging en verblijf, als bedoeld in artikel 41 a van de Wet, indien het residentiële hulpverlening of pleegzorg betreft, voor een kind van 12 tot en met 20 jaar: f 210 per maand.
2.2. Niet in geschil is dat de aan A opgelegde ouderbijdrage is vastgesteld in overeenstemming met het bepaalde in de Wet en het Besluit. Desalniettemin heeft de rechtbank het door A ingestelde beroep gegrond verklaard.
2.3. De rechtbank is van oordeel dat het kunnen beschikken over financiële middelen ter hoogte van het sociale minimum een in de Nederlandse samenleving verankerd fundamenteel rechtsbeginsel is. Aangezien de schending van dit rechtsbeginsel volgens de rechtbank zijn (lees: haar) oorzaak vindt in de niet door de wetgever in de artikelen 41 tot en met 41 i van de Wet verdisconteerde omstandigheid dat een bepaalde groep ouders geen aanspraak kan maken op kinderbijslag, heeft verweerder, thans: appellant, naar het oordeel van de rechtbank de Wet in dit geval niet onverkort kunnen toepassen en had hij moeten afzien van het opleggen van een ouderbijdrage aan A. De rechtbank heeft daarom de beslissing op bezwaar van 17 december 1996 vernietigd en het primaire besluit van 4 september 1995 herroepen.
2.4. Ingevolge artikel 41 a, tweede lid, van de Wet wordt de ouderbijdrage vastgesteld naar de leeftijd van de jeugdige en de aard van de verzorging en het verblijf. Bij het vaststellen van de ouderbijdrage, waarvan de hoogte met inachtneming van beide genoemde maatstaven in het Besluit is bepaald op f 210,-- per maand, vormt de draagkracht van degene, die op grond van het eerste lid van dat artikel een ouderbijdrage verschuldigd is, geen maatstaf. Voorts is de Afdeling van oordeel dat het kunnen beschikken over financiële middelen ter hoogte van het sociale minimum geen algemeen rechtsbeginsel is. De vraag of in zeer uitzonderlijke gevallen een wet wegens strijd met een of meer algemene rechtsbeginselen buiten toepassing zou kunnen worden gelaten, is hier dan ook, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet aan de orde.
2.5. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Groningen van 15 maart 1999, AWB 971116 BELEI V06;
II. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr R.W.L. Loeb en mr B. van Wagtendonk, Leden, in tegenwoordigheid van mr M.G. Tuinhout, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Does w.g. Tuinhout
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 JAN. 2000
77-55. Verzonden:
Voor eensluidend afschrift, de Secretaris van de Raad van State, voor deze,