ECLI:NL:RVS:2000:AA5197

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
199900213/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:8 AwbArt. 4:11 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit kapvergunning voor elf acacia's en twee esdoorns op Ensah-terrein te Bilthoven

Burgemeester en wethouders van De Bilt verleenden op 16 april 1997 een kapvergunning aan Fortis Investments voor het vellen van elf acacia's en twee esdoorns op het Ensah-terrein te Bilthoven. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit, dat op 16 december 1997 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen dit besluit eveneens ongegrond.

Appellanten stelden dat zij ten onrechte niet voorafgaand aan het besluit in de gelegenheid waren gesteld hun zienswijze kenbaar te maken, wat volgens hen in strijd was met artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad van State oordeelde dat aan de voorwaarden van artikel 4:8 was Pro voldaan en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de hoorplicht niet van toepassing was. Desalniettemin vond de Raad dat burgemeester en wethouders zich op grond van artikel 4:11 Awb Pro terecht konden beroepen op de uitzondering vanwege de spoedeisendheid en het geringe aantal te kappen bomen.

Verder oordeelde de Raad dat het ontbreken van publicatie of toezending van het besluit aan appellanten geen grond voor vernietiging vormde, omdat dit geen terugwerkende kracht heeft op de rechtmatigheid van het besluit. Ook het betoog dat de herplantplicht onvoldoende was, werd verworpen omdat alleen het besluit van 16 december 1997 aan de orde was en een zwaardere herplantplicht niet in deze procedure kon worden geëist.

De Raad van State bevestigde het bestreden vonnis en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot kapvergunning en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

Raad van State
199900213/1.
Datum uitspraak: 25 februari 2000
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen te [woonplaats], appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 14 april 1999 in het geding tussen:
appellanten
en
burgemeester en wethouders van De Bilt.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 april 1997 hebben burgemeester en wethouders van De Bilt (hierna: burgemeester en wethouders) aan Fortis Investments te Utrecht kapvergunning verleend voor het vellen van elf acacia's en twee esdoorns op het zogeheten "Ensah-terrein" te Bilthoven.
Bij besluit van 16 december 1997 hebben burgemeester en wethouders het tegen het besluit van 16 april 1997 door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het ongedateerde advies van de adviescommissie bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 14 april 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het door appellanten tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 21 mei 1999, bij de Raad van State ingekomen op 25 mei 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 21 oktober 1999 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door prof. dr P.J. Brussaard en ir B. Overmars, gemachtigden, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door J. Winkelhorst en A.M.A. Hillen, ambtenaren van de gemeente De Bilt, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten hebben betoogd dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid zijn gesteld voorafgaand aan het verlenen van de kapvergunning hun zienswijze naar voren te brengen. De rechtbank heeft dit volgens hen miskend.
2.2. Ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) stelt het bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.
Het bestuursorgaan kan dit ingevolge artikel 4:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht onder andere achterwege laten, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet of indien de belanghebbende reeds in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze bij een eerdere beschikking of bij een ander bestuursorgaan naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan.
2.2.1. Zoals is neergelegd in de uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 12 augustus 1996, JB 1996, nr 242, vervult het horen als bedoeld in artikel 4:8 van Pro de Awb de functie van het bevorderen van de juiste vaststelling van de gegevens over de feiten en belangen die betrekking hebben op de belanghebbenden zelf, voor zover daarover tussen het bevoegde bestuursorgaan en de belanghebbenden onenigheid zou kunnen bestaan.
2.2.2. Niet in geschil is dat appellanten belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 4:8 van Pro de Awb. Aannemelijk is dat appellanten naar verwachting bedenkingen zouden hebben tegen het besluit. De gegevens terzake van de belangen van appellanten zijn niet door henzelf verstrekt. Derhalve is voldaan aan de voorwaarden waaronder ingevolge artikel 4:8 van Pro de Awb sprake is van een plicht om hen in de gelegenheid te stellen hun zienswijzen naar voren te brengen. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in artikel 4:8 van Pro de Awb vermelde voorwaarden zich in dit geval niet voordoen.
2.2.3. Vervolgens dient bezien te worden of een van de in artikel 4:11 van Pro de Awb opgenomen uitzonderingen op de hoorplicht zich voordoen.
Gezien de belangen die waren gemoeid met een spoedig vellen van de elf acacia's en twee esdoorns en het - in vergelijk met eerdere verleende vergunningen voor het vellen van bomen op hetzelfde terrein- gering aantal bomen waarvoor de onderhavige vergunning werd gevraagd, bestaat geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders zich niet op het standpunt hebben mogen stellen dat in dit geval van het horen als bedoeld in artikel 4:8 van Pro de Awb kon worden afgezien.
2.3. Het betoog dat ten onrechte geen publicatie van de verleende kapvergunning of toezending daarvan aan appellanten heeft plaatsgevonden, treft geen doel.
De Awb noch de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV) krachtens welke de kapvergunning is verleend, bevatten de plicht een besluit waarbij een kapvergunning is verleend, te publiceren.
De Afdeling kan het antwoord op de vraag of burgemeester en wethouders op grond van de Awb dan wel de APV waren gehouden om van hun besluit van 16 april 1997 mededeling te doen aan appellanten, in het midden laten. Een eventuele onregelmatigheid op dit punt dateert immers van na het nemen van het besluit. Zoals is geoordeeld in de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 1999, JB 1999, nr 154, kan een dergelijke onregelmatigheid geen grond voor vernietiging van dat besluit zijn, aangezien deze niet als het ware met terugwerkende kracht de rechtmatigheid van dat besluit kan aantasten. Een dergelijke onregelmatigheid kan wel leiden tot verschoonbaarheid bij het overschrijden van de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt dan wel beroep kan worden ingesteld. Van overschrijding van die termijn is in dit geval echter geen sprake.
2.4. Het betoog dat de aan de vergunning verbonden herplantplicht voor zes bomen onvoldoende is, treft evenmin doel.
Vooropgesteld dient te worden dat in de onderhavige procedure alleen het besluit van 16 december 1997, waarbij het besluit van 16 april 1997 is gehandhaafd, aan de orde is. Een zwaardere herplantplicht ter compensatie van bomen die op grond van eerder verleende vergunningen zijn gekapt, kan, anders dan appellanten kennelijk menen, in deze procedure niet aan de orde komen.
ln aanmerking genomen dat de onderhavige vergunning betrekking heeft op het kappen van elf acacia's en twee esdoorns vanwege de bouw van woningen, bestaat geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten om voor ongeveer de helft van het aantal te kappen bomen een herplantplicht op te leggen. Een groter aantal kan naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid niet worden gevergd.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden, te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen, aanwezig.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr M.J.M. Langeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Langeveld
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2000
-251.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,