ECLI:NL:RVS:2000:AA5587
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- F.P. Zwart
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid weigering vergunning voor beschermde vogels op grond van Vogelwet en EG-verdrag
Appellant, de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, weigerde aan A. een vergunning te verlenen voor het houden, vervoeren en tentoonstellen van bepaalde beschermde vogels op grond van artikel 21 van Pro de Vogelwet 1936. A. had de vogels reeds in bezit voordat de vergunning werd aangevraagd. De rechtbank verklaarde het beroep van A. gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de weigering een verboden handelsbelemmering vormde onder artikel 30 EG Pro-Verdrag.
De Raad van State oordeelt dat de Vogelrichtlijn niet van toepassing is op in gevangenschap geboren vogels, waardoor lidstaten bevoegd blijven om nationale beschermingsmaatregelen te treffen. De Raad stelt vast dat de weigering van de vergunning gerechtvaardigd is op grond van artikel 36 EG Pro-Verdrag ter bescherming van de openbare orde en het leven van dieren. Het beleid om vergunningen achteraf te weigeren voorkomt illegaal bezit en handel in beschermde vogels.
De Raad wijst het beroep van A. af en vernietigt het vonnis van de rechtbank. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van A. bij de rechtbank alsnog ongegrond. De geldige CITES-certificaten voor de vogels veranderen hieraan niets omdat strengere nationale maatregelen zijn toegestaan. Er worden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en wijst het beroep van A. af, waardoor de vergunning wordt geweigerd.