ECLI:NL:RVS:2000:AA5600
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vordering gebruik woning voor evenwichtige woonruimteverdeling
Burgemeester en wethouders van Amsterdam hebben op 7 januari 2000 het gebruik van een woning en de bijbehorende gemeenschappelijke ruimten voor tien jaar gevorderd van appellant. Deze vordering is gebaseerd op artikel 40 van Pro de Huisvestingswet, gericht op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte.
Appellant stelde dat verweerders ten onrechte zijn voorgedragen kandidaat-huurder hadden afgewezen en dat de uitkomst van een lopende procedure inzake een huisvestingsvergunning had moeten worden afgewacht. De Raad van State oordeelde echter dat de vorderingsprocedure losstaat van de huisvestingsvergunningsprocedure en dat verweerders niet verplicht waren de uitkomst daarvan af te wachten.
De kandidaat-huurder van de Stedelijke Woningdienst beschikte over een geldige voorrangsverklaring en had de woning geaccepteerd. Appellant kon niet aannemelijk maken dat deze voorrangsverklaring onterecht was. Ook andere door appellant aangevoerde bezwaren, zoals weigering van vergoeding en vragenformulier, vormden geen grond om van de vordering af te zien.
De Raad van State concludeerde dat verweerders bij de belangenafweging in redelijkheid tot het bestreden besluit konden komen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het vorderingsbesluit van burgemeester en wethouders wordt ongegrond verklaard.