Art. 6:7 Algemene wet bestuursrechtArt. 44 Wet op de Raad van State
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onzorgvuldige procesgang door afwijzing uitstelverzoek bij termijnoverschrijding bezwaarschrift
Appellant diende een bezwaarschrift in tegen een besluit van de directeur van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, maar overschreed de wettelijke termijn. De directeur achtte de termijnoverschrijding verschoonbaar vanwege ziekte en vakantie, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en wees het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling af.
Appellant was tijdens de zitting gedetineerd en kon niet aanwezig zijn. Hij had geen juridische kennis en had schriftelijk toegelicht dat hij slachtoffer was geweest van geweldpleging, wat zijn late indiening verklaarde. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank onzorgvuldig handelde door het uitstelverzoek af te wijzen, waardoor appellant niet de kans kreeg zijn omstandigheden mondeling toe te lichten.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug, met het oog op een zorgvuldige procesgang. Ook werd bepaald dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Deze uitspraak benadrukt het belang van hoor en wederhoor, vooral bij partijen zonder juridische kennis en in bijzondere omstandigheden zoals detentie en slachtofferschap van geweld.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd wegens onzorgvuldige procesgang en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.
Uitspraak
Raad van State
H01.99.0631.
Datum uitspraak: 14 april 2000
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
A te B,
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 19 april 1999 in het geding tussen:
appellant
en
de directeur van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen.
1 Procesverloop
Bij besluit van 18 juni 1997 heeft de directeur van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: de directeur) aan appellant met inachtneming van het bepaalde in het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming, een ouderbijdrage van f 210,-- per maand opgelegd.
Bij besluit van 11 september 1997 heeft de directeur het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 19 april 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard, waarbij is bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 28 april 1999, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 9 juni 1999, 13 juni 1999, 15 juli 1999 en 16 augustus 1999. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 4 augustus 1999 heeft de directeur een memorie van antwoord ingediend.
Bij brief van 26 november 1999 heeft appellant een nader stuk ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 1999, waar appellant in persoon en de directeur, vertegenwoordigd door mr Th E. Kuijpers, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant heeft bij de indiening van zijn bezwaarschrift, ingekomen bij de directeur op 6 augustus 1997, de in artikel 6:7 vanPro de Algemene wet bestuursrecht genoemde termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 30 juli 1997, overschreden. De directeur heeft naar aanleiding van het verzoek van appellant in zijn bezwaarschrift om verlenging van de bezwarentermijn in verband met ziekte en vakantie, de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht.
2.2. De rechtbank heeft ambtshalve overwogen dat de vraag of de directeur appellant terecht in zijn bezwaar heeft ontvangen allereerst beantwoord dient te worden. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord, overwegende dat ziekte en afwezigheid wegens vakantie geen reden zijn om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Op die grond heeft de rechtbank het besluit van de directeur van 11 september 1997 vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
2.3. Appellant is ter zitting bij de rechtbank op 17 maart 1999 niet verschenen. Hij was op dat tijdstip gedetineerd en zijn verzoek om verlof was afgewezen. Hij zou kort na de zittingsdatum weer vrij komen. In verband met het onderzoek naar de ontvankelijkheid heeft de rechtbank op 23 februari 1999 aan appellant vragen gesteld met betrekking tot de indiening van het bezwaarschrift. Appellant heeft op 3 maart 1999 op deze brief gereageerd. De rechtbank heeft na ontvangst van zijn brief op 9 maart 1999 het verzoek om uitstel van de zitting afgewezen.
2.4. Appellant heeft zich beklaagd over de afwijzing van het verzoek om uitstel door de rechtbank. Hij acht zich hierdoor benadeeld en heeft uiteengezet en met schriftelijke verklaringen ondersteund, dat hij tijdens zijn vakantie het slachtoffer is geweest van geweldpleging waardoor hij gewond is geraakt en ziek is geworden. Onder deze omstandigheden moet het naar zijn mening verschoonbaar zijn dat hij eerst na de bezwaartermijn zijn bezwaarschrift heeft ingediend, gelijk ook de directeur heeft geoordeeld.
2.5. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank niet heeft mogen afzien van het verlenen van uitstel van de mondelinge behandeling. Gelet op het ambtshalve onderzoek naar de ontvankelijkheid diende voor een goede procesgang appellant, die geen juridische kennis bezit, in de gelegenheid te worden gesteld de feiten en omstandigheden die tot de te late indiening van het bezwaarschrift hebben geleid, mondeling toe te lichten en met bescheiden te ondersteunen. Dit wordt nog versterkt door de omstandigheid dat appellant ten tijde van de beantwoording van de brief van 3 maart 1999 in detentie werd gehouden en er rekening mee moest worden gehouden dat hij niet volledig toegang had tot de bescheiden die betrekking hebben op de geweldpleging en de medische behandeling. De Afdeling sluit niet uit dat de geweldpleging en de daaruit voortvloeiende ontregeling van appellant tot het oordeel kunnen leiden dat in dit geval sprake is van verschoonbaarheid.
2.6. Nu de rechtbank het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling ten onrechte heeft afgewezen, is sprake van een onzorgvuldige procesgang.
2.7. Het hoger beroep is gegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak met toepassing van artikel 44, eerste lid aanhef en onder b, van de Wet op de Raad van State terugwijzen naar de rechtbank.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen nu niet is gebleken van kosten die daarvoor in aanmerking komen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 19 april 1999, AWB 97112691 WET;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. gelast dat Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (f 340,--) vergoedt.
Aldus vastgesteld door dr J.C.K.W. Bartel, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.