ECLI:NL:RVS:2000:AA6380
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- M.E.E. Wolff
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing toevoeging rechtsbijstand ondanks faillissement en handelsvoorraad
Appellant, na faillissement en uitschrijving uit het handelsregister, verzocht om toevoeging voor rechtsbijstand om handelsvoorraad terug te krijgen. De raad voor rechtsbijstand wees dit af omdat appellant geen bedrijfsmatige activiteiten meer ontplooide en de voortzetting van het bedrijf niet afhankelijk zou zijn van de rechtsbijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het voornemen tot hervatting van activiteiten niet voldoende is om rechtsbijstand toe te kennen. Appellant voerde aan dat zonder handelsvoorraad voortzetting onmogelijk is en dat artikel 12.2.e Wrb juist voor zulke grensgevallen bedoeld is.
De Raad van State oordeelt dat het enkele feit dat appellant geen bedrijfsmatige activiteiten ontplooide en de onderneming niet meer bestond, onvoldoende is om af te wijzen dat voortzetting afhankelijk is van de rechtsbijstand. De raad heeft onvoldoende rekening gehouden met de mogelijkheid van een grensgeval waarin het bedrijf direct bedreigd wordt en voortzetting afhankelijk is van de rechtsbijstand.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de raad, verklaart het beroep alsnog gegrond en gelast vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het betekent niet dat toevoeging automatisch verleend moet worden; er moet nader onderzoek plaatsvinden naar het beoogde voortzetten van de bedrijfsactiviteiten.
Uitkomst: Het besluit van de raad voor rechtsbijstand wordt vernietigd en het beroep alsnog gegrond verklaard, met gelaste vergoeding van proceskosten en griffierecht.