ECLI:NL:RVS:2000:AA6406
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- E. Korthals Altes
- P.J.J. van Buuren
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schadevergoeding voor hinder door spoorwegonderdoorgang zonder individuele differentiatie
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van schadevergoeding centraal die appellanten ontvingen vanwege hinder en overlast veroorzaakt door de aanleg van een spoorwegonderdoorgang. Het dagelijks bestuur van de deelgemeenteraad van IJsselmonde verleende vrijstellingen voor de bouw, waarna appellanten bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden tegen deze besluiten. De rechtbank oordeelde dat appellanten materiële schade hadden geleden door stof, lawaai en nachtelijke verlichting, en kende een schadevergoeding van 10.000 gulden per appellant toe zonder onderscheid naar individuele omstandigheden.
Het dagelijks bestuur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, maar de Raad van State verklaarde het hoger beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de schade als materiële schade moet worden aangemerkt en in rechtstreeks verband staat met de vervroegde uitvoering van de werkzaamheden mogelijk gemaakt door de vernietigde vrijstellingsbesluiten.
De Raad van State oordeelde dat de wijze van vaststelling van de schadevergoeding niet onjuist is en dat het achterwege laten van een onderscheid naar individuele omstandigheden gerechtvaardigd is, aangezien de hinder op de nabijgelegen standplaatsen van het woonwagencentrum op gelijke wijze werd ondervonden. Het hoger beroep van het dagelijks bestuur werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden aan het dagelijks bestuur opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het dagelijks bestuur wordt ongegrond verklaard en de schadevergoeding van 10.000 gulden per appellant wordt bevestigd zonder onderscheid naar individuele omstandigheden.