ECLI:NL:RVS:2000:AA6431
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
- P.J.J. van Buuren
- C.A. Terwee-van Hilten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid ontvangstplicht maaisel in Keur oppervlaktewateren waterschap Mark en Weerijs
Het geschil betreft de rechtmatigheid van artikel 7, eerste lid, van de Keur oppervlaktewateren waterschap Mark en Weerijs 1996, waarin een ontvangstplicht is opgenomen voor specie en maaisel dat vrijkomt bij periodiek onderhoud van oppervlaktewater. Appellant betoogde dat deze ontvangstplicht in strijd is met artikel 11 van Pro de Waterstaatswet 1900.
De Raad van State oordeelt dat artikel 7, eerste lid, van de Keur zijn grondslag vindt in de autonome verordenende bevoegdheid van het algemeen bestuur op grond van artikel 78, eerste lid, van de Waterschapswet. Hierdoor staat niets een rechtstreekse toetsing aan artikel 11 van Pro de Waterstaatswet 1900 in de weg. Artikel 11 bevat Pro geen uitputtende regeling voor de ontvangstplicht van organisch materiaal dat met het oog op onderhoud wordt verwijderd.
De Raad stelt vast dat artikel 11 primair Pro gericht is op specie die verband houdt met het onderhoud van watergangen en niet uitsluit dat het algemeen bestuur regels stelt omtrent de ontvangstplicht van ander materiaal dan specie, zoals maaisel. De ontvangstplicht in artikel 7, eerste lid, van de Keur is dan ook niet in strijd met artikel 11. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.
Er worden geen proceskosten in hoger beroep toegewezen. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 8 juni 2000 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ontvangstplicht in de Keur wordt bevestigd.