ECLI:NL:RVS:2000:AA6835

Raad van State

Datum uitspraak
26 mei 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
199903894/1.
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P. van Dijk
  • B. van Wagtendonk
  • R.R. Winter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verplichting educatieve maatregel alcohol en verkeer na vrijspraak

Appellant werd door de Minister van Verkeer en Waterstaat verplicht zich te onderwerpen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) vanwege een ademalcoholgehalte van 835 µg/l bij een aanhouding op 13 december 1997. Hoewel appellant in strafrechtelijke zin werd vrijgesproken van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, handhaafde de Minister het besluit tot oplegging van de EMA.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State, stellende dat de EMA onterecht werd opgelegd omdat hij niet de bestuurder was en de strafrechter hem had vrijgesproken.

De Raad van State oordeelde dat de Minister zich in redelijkheid kon baseren op de politierapporten en verklaringen die aannemelijk maakten dat appellant bestuurder was geweest. Tevens werd bevestigd dat het opleggen van een EMA geen strafrechtelijke sanctie is en derhalve niet onder artikel 6 EVRM Pro valt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verplichting tot deelname aan de educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt bevestigd.

Uitspraak

Raad van State
199903894/1.
Datum uitspraak: 26 mei 2000
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] te [woonplaats], appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Breda van 11 november 1999 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Verkeer en Waterstaat.
1 Procesverloop
Bij besluit van 9 januari 1998 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) appellant de verplichting opgelegd zich te onderwerpen aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA) ter bevordering van de geschiktheid.
Bij besluit van 25 juni 1998 heeft de Minister het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 11 november 1999, verzonden op 24 november 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 januari 2000. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 14 maart 2000 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.C.P. van Kollenburg, advocaat te Etten-Leur, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. J.C.W. ter Heijden, gemachtigde, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1 Partijen geven een verschillend antwoord op de vraag of de Minister zijn bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit dat appellant zich dient te onderwerpen aan een EMA, omdat hij als bestuurder van een motorrijtuig met een ademalcoholgehalte van 835 µg/l is aangehouden, in redelijkheid heeft kunnen baseren op door de politie op 13 en 14 december 1997 opgemaakte processen-verbaal, met voorbijgaan aan de verklaring van zijn toenmalige vriendin van 20 december 1997 dat zij de auto de hele rit heeft bestuurd en de verklaringen van getuigen dat deze vriendin vanaf het café achter het stuur plaatsnam, terwijl appellant inmiddels door de politierechter van overtreding van artikel 8, eerste of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is vrijgesproken.
2.2 Op grond van de stukken, waaronder genoemde processen-verbaal en verklaringen, is de Afdeling van oordeel dat de Minister in redelijkheid kon aannemen dat appellant met genoemd alcoholgehalte, in ieder geval te eniger tijd op 13 december 1997, bestuurder van het bij het eenzijdig ongeval betrokken voertuig is geweest. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in de uitspraak van 26 augustus 1999, no. H01.99.0210 (AB 1999/429), is, anders dan appellant heeft betoogd, het opleggen van de verplichting zich te onderwerpen aan een EMA geen "criminal charge" in de zin van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Op het opleggen van de EMA is genoemde verdragsbepaling dan ook niet van toepassing. Ten slotte leidt het betoog van appellant dat het aan hem opleggen van de EMA geen enkele zin heeft, omdat hij zich er zeer bewust van is dat hij onder invloed van alcohol geen motorrijtuig kan of mag besturen, evenmin tot het oordeel dat de beslissing op bezwaar niet in stand kan blijven.
2.3 De rechtbank is op goede gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.
2.4 Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5 Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep zijn geen termen aanwezig.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R.R. Winter, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Hoogenboom
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2000
119.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,