ECLI:NL:RVS:2000:AA6843

Raad van State

Datum uitspraak
18 mei 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
199903661/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B. van Wagtendonk
  • J.H.C.A. Muller
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:7 BWBesluit van 6 oktober 1997 houdende regels voor geslachtsnaamswijziging
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering geslachtsnaamswijziging dochters ondanks bezwaar vader

Appellant, de vader van drie dochters, maakte bezwaar tegen het voornemen van de Staatssecretaris van Justitie om de geslachtsnaamswijziging van zijn dochters goed te keuren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de vader stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State overwoog dat de oudste dochter meerderjarig was op het moment van het voornemen en zelf aanspraak kon maken op naamswijziging. Het bezwaar van appellant dat het Besluit geen grondslag bood voor naamswijziging van zijn stiefdochter faalde daarom.

Daarnaast werd het bezwaar dat de belangen van de dochters onvoldoende waren onderzocht verworpen. De Raad nam het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en aanvullend orthopedagogisch onderzoek mee, waarin werd geadviseerd de naamswijziging toe te staan om verdere verwijdering tussen vader en dochters te voorkomen.

De Raad van State bevestigde daarmee het besluit van de Staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot geslachtsnaamswijziging wordt bevestigd.

Uitspraak

Raad van State
199903661/1.
Datum uitspraak: 18 mei 2000
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[vader] te [woonplaats], appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 3 november 1999 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1 . Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 1998 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de Staatssecretaris) aan appellant kenbaar gemaakt voornemens te zijn om geslachtsnaamswijziging van zijn dochters [dochter], [dochter 1] en [dochter 2] voor inwilliging voor te dragen.
Bij besluit van 11 november 1998 heeft de Staatssecretaris het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 3 november 1999, verzonden op 16 november 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 1999, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 maart 2000 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr W.G.H. Janssen, advocaat te Leiden, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door J.L. Roozendaal, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen. Voorts waren aanwezig [moeder], [dochter], [dochter 1] en [dochter 2]
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek - voor zover hier van belang - kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek door de Koning worden gewijzigd. In het zesde lid van dit artikel is - voor zover hier van belang - bepaald dat indien de Minister van Justitie voornemens is een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, hij dit voornemen aan alle belanghebbenden meedeelt, welke mededeling geldt als een beschikking.
Het terzake gevoerde beleid is neergelegd in het Besluit van 6 oktober 1997 (Stb. 1997, 463), houdende regels voor geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit).
2.2. Appellant betoogt ten eerste dat de Staatssecretaris en de rechtbank hebben miskend dat het Besluit geen grondslag biedt voor de gevraagde naamswijziging van zijn stiefdochter [docheter]. Hij heeft aangegeven dat de naamswijziging op instigatie van haar moeder is aangevraagd toen zij nog minderjarig was, en minderjarige kinderen, van wie de geslachtsnaam reeds is gewijzigd, ingevolge het Besluit niet opnieuw voor naamswijziging in aanmerking kunnen komen.
2.3. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de Staatssecretaris aan het bezwaar van appellant voorbij kon gaan, omdat [dochter] op het moment dat het voornemen werd aangekondigd vanwege haar meerderjarigheid aan het Besluit aanspraak op geslachtsnaamswijziging kon ontlenen en dit zelf ook wilde. Dit betoog faalt derhalve.
2.4. Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de Staatssecretaris op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de belangen van zijn dochters zich niet tegen de naamswijziging verzetten. De beantwoording van die vraag vergde volgens appellant een diepgaand onderzoek, omdat er, naar hij heeft gesteld, sprake is van een vooropgezet plan van de moeder om de verwijdering tussen hem en zijn dochters te vergroten. Appellant wenst een goede band met zijn dochters te behouden en is van mening dat naamswijziging de mogelijkheid daartoe zou kunnen doorkruisen.
2.5. Ook dit betoog faalt. Uit het terzake door de Raad voor de Kinderbescherming opgestelde rapport blijkt dat de opstellers van dit rapport zich hebben beraden over de door appellant geschetste problematiek. Een aan de Raad voor de Kinderbescherming verbonden orthopedagoog heeft een aanvullend onderzoek naar de situatie verricht. Deze adviseerde de naamswijziging voor inwilliging voor te dragen, aangezien de kinderen zich anders juist meer tegen hun vader zouden kunnen gaan afzetten.
De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet staande kan worden gehouden dat de Staatssecretaris, in het bijzonder gelet op genoemde rapporten - die niet als gebrekkig of ontoereikend kunnen worden gekwalificeerd - niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan zijn voornemen.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr B. van Wagtendonk, Lid van de Enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr J.H.C.A. Muller, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Muller
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2000
242.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
[Noot van de redactie: de uitspraak in eerste aanleg in deze zaak van de rechtbank Den Haag van 19 november 1999 is in te zien onder Elronummer AA6824]