Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2000:AA7140

Raad van State

Datum uitspraak
29 augustus 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
199902851/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 6 bestemmingsplanArt. 15 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 7:13 lid 7 Algemene wet bestuursrechtWoningwetWet op de Ruimtelijke Ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid mandateren bouwvergunning en binnenplanse vrijstelling transformatorstation niet in strijd met wet

Burgemeester en wethouders van Terschelling verleenden op 22 augustus 1997 een bouwvergunning en binnenplanse vrijstelling voor het plaatsen van een transformatorstation op een perceel te Midsland. De vergunning werd verleend door een gemeenteambtenaar op grond van het Mandaatconvenant 1991, waarbij de bevoegdheid tot het verlenen van dergelijke vergunningen was gemandateerd onder voorwaarden zoals naleving van het bestemmingsplan en een positief welstandsadvies.

Appellant stelde dat het besluit onbevoegd was genomen, omdat de vergunning zou zijn verleend door een ambtenaar zonder mandaat en op een locatie die afweek van de aanvraag. De Raad van State oordeelde dat de mandatering rechtsgeldig was en dat de gewijzigde locatie was goedgekeurd door de welstandscommissie, met een positief advies. Er was geen sprake van onbevoegd handelen.

Verder werd geoordeeld dat de belangen van appellant voldoende waren meegewogen en dat de handhaving van de vergunning terecht was. De alternatieve locatie die appellant aanvoerde bood geen aanzienlijk beter resultaat met minder bezwaren. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de vergunning is terecht gehandhaafd.

Uitspraak

Raad van State
199902851/1
Datum uitspraak: 29 augustus 2000
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
A, wonend te B, appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 21 september 1999 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Terschelling.
1 Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 1997 hebben burgemeester en wethouders van Terschelling (hierna: burgemeester en wethouders) aan de N.V. NUON Leeuwarden (hierna: vergunninghouder) met toepassing van artikel 18, zesde lid, van het bestemmingsplan "Correctieve herziening Midsland Noord" vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een transformatorstation (hierna: trafohuisje) op het perceel, kadastraal bekend gemeente Terschelling, sectie H, nummer 1604, plaatselijk bekend tegenover Duinweg 57 te Midsland.
Bij besluit van 14 april 1998 hebben burgemeester en wethouders het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie voorbereiding beroep- en bezwaarschriften van 21 januari 1998, waarnaar in dit besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 21 september 1999, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 oktober 1999, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 november 1999. Deze brieven zijn aangehecht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 mei 2000, waar appellant, bij monde van mr F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door P. de Bos, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1 Ingevolge het bestemmingsplan "Midsland Noord" rust op het betrokken deel van het perceel de bestemming "Groenvoorzieningen". Ingevolge artikel 13, onder B, van de planvoorschriften mogen op of in deze gronden geen gebouwen worden gebouwd. Ingevolge artikel 18, zesde lid, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd overeenkomstig het gestelde in artikel 15 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 13 en Pro toe te staan dat een openbaar nutsgebouwtje, zoals een transformatorgebouwtje of een naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwtje wordt gebouwd, mits:
a. de inhoud van het gebouwtje niet meer dan 25 zal bedragen;
b. de goot- of boeiboordhoogte van het gebouwtje niet meer dan 3 m zal bedragen;
c. hierdoor de verkeersveiligheid niet in gevaar wordt gebracht.
2.2 Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 22 augustus 1997, waarbij met toepassing van artikel 18, zesde lid, voormeld, vrijstelling en bouwvergunning is verleend voor de plaatsing van een transformatorstation op het perceel tegenover Duinweg 57, onbevoegdelijk door een gemeenteambtenaar is genomen.
2.3 Vast staat dat bij het zogenoemde Mandaatconvenant 1991 de bevoegdheid tot het verlenen van een bouwvergunning is gemandateerd aan een medewerker van de gemeente. Daarbij is onder meer bepaald dat het bouwplan dan niet in strijd mag zijn met het bestemmingsplan of de bouwverordening en dat een positief welstandsadvies is ontvangen.
Voorts is in het algemene deel van het Mandaatconvenant 1991 opgenomen dat niet in mandaat kan worden beslist, indien voor het nemen van het besluit bezwaarschriften zijn ingediend of bekend is dat deze zullen worden ingediend. Bij besluit van 4 juni 1996 is ook de bevoegdheid tot het verlenen van binnenplanse vrijstelling gemandateerd aan een gemeenteambtenaar.Daarbij is als voorwaarde opgenomen dat sprake moet zijn van een planbepaling die reeds veelvuldig is toegepast.
2.4 Voor het oordeel dat deze mandaatsbesluiten, voor zover hier van belang, in strijd met de Woningwet dan wel de Wet op de Ruimtelijke Ordening moeten worden geacht dan wel dat de aard van de betreffende bevoegdheden zich tegen de mandaatverlening verzet, bestaat geen grond.
Voorts is niet gebleken dat de ambtenaar bij het nemen van het besluit van 22 augustus 1997 niet binnen de grenzen van het mandaat is gebleven. In dit verband wordt overwogen dat vergunninghouder in eerste instantie een aanvraag had ingediend voor een vergunning voor plaatsing van een trafohuisje op het perceel tegenover Duinweg 59, maar dat uitvoering van het bouwplan op deze locatie op bezwaren van de welstandscommissie was gestuit. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat de welstandscommissie vervolgens in haar vergadering van 6 augustus 1997 positief heeft geadviseerd over plaatsing van het trafohuisje op het perceel tegenover Duinweg 57. Daarop heeft vergunninghouder op 11 augustus 1997 bij de gemeente een gewijzigde situatietekening ingediend voor uitvoering van het bouwplan op het perceel tegenover Duinweg 57, waarna de aangepaste vergunningaanvraag op 21 augustus 1997 is gepubliceerd. Een en ander betekent dat ten tijde van het nemen van het besluit van 22 augustus 1997, anders dan appellant stelt, sprake was van een positief welstandsadvies over het thans in geding zijnde bouwplan.
Gelet op het vorenstaande, moet worden geoordeeld dat geen sprake is van een onbevoegdelijk in mandaat genomen besluit.
2.5 Uit het vorenoverwogene volgt dat het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat vergunning is verleend voor plaatsing van het trafohuisje op een andere locatie dan waarvoor vergunning was aangevraagd, evenmin slaagt. Voorts is niet gebleken van zodanige onzorgvuldigheden bij de gevolgde vrijstellings- en vergunningprocedure, dat het besluit van 14 april 1998 reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.
2.6 Appellant betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders bij de handhaving van de verleende vrijstelling onvoldoende acht hebben geslagen op zijn belangen en dat ten onrechte is voorbijgegaan aan het bestaan van een alternatieve locatie.
2.7 Het reeds geplaatste trafohuisje heeft een oppervlakte van ongeveer 2,8 M2 en een hoogte van ongeveer 1,8 m. De afstand van het trafohuisje tot het zomerhuisje van appellant bedraagt ongeveer 27 m, die tot de bij het zomerhuisje behorende tuin enkele meters. Blijkens de ter zitting getoonde foto's is het trafohuisje een deel van het jaar door beplanting vanuit de tuin zeer beperkt zichtbaar. Mede gelet hierop, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van dusdanige visuele dan wel andersoortige hinder voor appellant, dat burgemeester en wethouders om die reden niet in redelijkheid tot handhaving van de vrijstelling hebben kunnen besluiten.
Voorts wordt overwogen dat burgemeester en wethouders hebben te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat, eventueel na aanpassing van een eerder plan, bij hen is ingediend. Toen dit (aangepaste) bouwplan op zichzelf aanvaardbaar bleek, kon het bestaan van alternatieven hen slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien door gebruikmaking van een alternatief een aanzienlijk beter resultaat kon worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Van dat laatste is in dit geval geen sprake. Overigens zijn burgemeester en wethouders in het besluit van 14 april 1998 wel ingegaan op de door appellant voorgestelde alternatieve locatie.
2.8 Gezien het vorenoverwogene en gelet op hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet staande kan worden gehouden dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken niet in redelijkheid tot handhaving van de verleende vrijstelling hebben kunnen besluiten. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat burgemeester en wethouders in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet hebben aangegeven waarom is afgeweken van het advies van de Commissie voorbereiding beroep- en bezwaarschriften van 21 januari 1998. Dit betekent dat de rechtbank tot de juiste conclusie is gekomen dat burgemeester en wethouders de verleende bouwvergunning terecht hebben gehandhaafd.
2.9 Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.10 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
Bij verhindering van de
ambtenaar van Staat:
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Roelfsema
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2000
201. Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,