ECLI:NL:RVS:2000:AA7378
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
- J.H.B. van der Meer
- J.A.M. van Angeren
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek aanwijzing instelling voor wetenschappelijk onderwijs
Appellante verzocht bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen om aanwijzing als instelling voor wetenschappelijk onderwijs, maar dit verzoek werd op 16 juli 1996 afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de kwaliteit van het initiële onderwijs. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarna de Minister het verzoek opnieuw afwees op 22 december 1997. Appellante stelde hiertegen beroep in, dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd ongegrond verklaard.
De Minister baseerde zijn afwijzing op het uitgangspunt dat bewijs van voldoende kwaliteit van het initiële onderwijs pas geleverd kan worden nadat de opleiding in Nederland als volledige opleidingscyclus heeft gefunctioneerd. Appellante voerde aan dat dit uitgangspunt in strijd was met de Algemene wet bestuursrecht en dat een voorlichtingspublicatie een andere betekenis had, maar deze verweren werden verworpen.
De Raad van State oordeelde dat de Minister een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij de toepassing van artikel 6.9 van de WHW en dat het gehanteerde uitgangspunt in overeenstemming is met de wet. Ook werd geoordeeld dat geen grond bestaat voor een uitzondering voor in de Verenigde Staten gevestigde instellingen zoals appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot aanwijzing als instelling voor wetenschappelijk onderwijs wordt bevestigd.