ECLI:NL:RVS:2000:AA9570

Raad van State

Datum uitspraak
19 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200005231/1 en 200005231/2.
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • E.D. Boer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken rechtstreeks belang bij bouwvergunning

Burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch verleenden op 20 april 2000 een bouwvergunning voor het veranderen van een bovenwoning. Tegen dit besluit maakte appellant bezwaar, dat op 19 juli 2000 ongegrond werd verklaard. De president van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond.

Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 7 december 2000 werd vastgesteld dat appellant niet rechtstreeks belanghebbende was bij het besluit, mede omdat hij slechts directeur was van de rechtspersoon die bezwaar had gemaakt en ten onrechte als indiener van het bezwaarschrift was vermeld.

De Raad oordeelde dat appellant daardoor niet ontvankelijk was in het hoger beroep. Er was geen noodzaak voor nader onderzoek en het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Voorzitter en een ambtenaar van Staat op 19 december 2000.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

Raad
van State
200005231/1 en 200005231/2.
Datum uitspraak: 19 december 2000
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 september 2000 in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "[appellant] en Zonen B.V."
en
burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.
1. Procesverloop
Bij besluit van 20 april 2000 hebben burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (hierna: burgemeester en wethouders) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het veranderen van een bovenwoning op het perceel [adres] te [plaats].
Bij besluit van 19 juli 2000 hebben zij het daartegen door [appellant] en Zonen B.V. gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit voor de motivering ervan wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 28 september 2000, verzonden op 17 oktober 2000, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de president) het door [appellant] en Zonen B.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2000, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Tevens heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2000, waar appellant in persoon, bijgestaan door ing.[raadgever], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. P.A.J.S. Lathouwers, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder].
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep is ingesteld namens appellant. Gesteld noch gebleken is evenwel dat zijn belang rechtstreeks is betrokken bij het besluit van 19 juli 2000. Met name is daarvoor niet voldoende dat hij directeur is van [appellant] en Zonen B.V., evenmin dat hij in dat besluit ten onrechte is vermeld als de indiener van het bezwaarschrift. Dit betekent dat hij niet kan worden ontvangen in het hoger beroep. Dat van de rekening-courant van de gemachtigde van appellant ten onrechte griffierecht is afgeschreven, als betrof het hoger beroep en een verzoek om voorlopige voorziening afkomstig van een rechtspersoon, doet aan dit oordeel niet af.
2.2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk en het verzoek moet worden afgewezen.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2000
201.
Verzonden: 19 december 2000
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,