ECLI:NL:RVS:2000:AA9944

Raad van State

Datum uitspraak
18 augustus 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
199903455/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WoningwetArt. 4:8 AwbArt. 8:70 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit stadsdeel tot aanschrijving tot treffen noodzakelijke voorzieningen aan pand

Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West heeft appellanten, eigenaren van een pand, bij besluiten van juni en juli 1997 aangeschreven tot het treffen van noodzakelijke voorzieningen aan het pand. Appellanten maakten bezwaar tegen deze besluiten, dat door het dagelijks bestuur ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellanten tegen dit besluit eveneens ongegrond.

Appellanten stelden in hoger beroep dat zij niet voorafgaand aan de aanschrijving waren gehoord zoals voorgeschreven in artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat zij geen vooraanschrijving hadden ontvangen. De Raad van State oordeelde echter dat eventuele schending van de hoorplicht in de bezwaarfase was hersteld en dat het dagelijks bestuur terecht tot aanschrijving had besloten omdat het ging om noodzakelijke voorzieningen zoals bedoeld in artikel 14 van Pro de Woningwet.

Verder was niet in geschil dat een aantal voorzieningen reeds getroffen was ten tijde van het besluit op bezwaar, maar dit vormde geen relevante wijziging van omstandigheden die tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar zou moeten leiden. De Raad van State bevestigde daarom het bestreden vonnis en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot aanschrijving tot het treffen van noodzakelijke voorzieningen en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

Raad van State
199903455/1.
Datum uitspraak: 18 augustus. 2000
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], wonend te [woonplaats A], en [appellant B], wonend te [woonplaats B],
appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 6 oktober 1999 in het geding tussen:
appellanten
en
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam.
1 Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 1997 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam (hierna: het dagelijks bestuur) krachtens artikel 14 van Pro de Woningwet appellanten, eigenaren van het pand [adres] te [plaats], aangeschreven tot het treffen van voorzieningen aan dat pand. Bij besluit van 22 juli 1997 heeft het dagelijks bestuur een op het punt van de termijnstelling gewijzigde aanschrijving aan appellanten gestuurd.
Bij besluit van 10 februari 1998 heeft het dagelijks bestuur het door appellanten tegen die besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie Bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 6 oktober 1999, verzonden op 20 oktober 1999, heeft de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het tegen dit besluit door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 november 1999, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 december 1999. Deze brieven zijn aangehecht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juli 2000, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. R.A. IJsendijk, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Het dagelijks bestuur is zonder bericht niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat zij in hun belangen zijn getroffen doordat zij, naar zij stellen, geen vooraanschrijving hebben ontvangen en niet voorafgaande aan de aanschrijving in overeenstemming met artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht zijn gehoord, slaagt niet.
Terecht heeft de rechtbank overwogen dat zo al sprake is van schending van artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, dit gebrek genoegzaam moet worden geacht te zijn hersteld in de bezwaarschriftenprocedure. De Afdeling verwijst hierbij naar haar uitspraak van 26 juni 1997, gepubliceerd in RAbw 1997, nr 165.
Dat de aanschrijving op een aantal punten voorzieningen eist die niet in de - door appellanten, naar zij stellen, niet ontvangen -vooraanschrijving staan vermeld, maakt dat niet anders. Dat het noodzakelijke voorzieningen betreft, is niet bestreden. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Woningwet was het dagelijks bestuur dan ook verplicht appellanten aan te schrijven tot het treffen van die voorzieningen.
2.2. Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het dagelijks bestuur in de omstandigheid dat een aantal voorzieningen ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar reeds was getroffen, ten onrechte geen grond heeft gevonden hun bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, slaagt evenmin.
De toetsing van het primaire besluit omvat onder meer de vraag of het dagelijks bestuur dit terecht heeft genomen. Niet in geschil is dat de aanschrijving ziet op noodzakelijke voorzieningen als bedoeld in artikel 14 van Pro de Woningwet. Derhalve heeft het dagelijks bestuur appellanten terecht aangeschreven. Dat - naar onweersproken is gesteld - een aantal voorzieningen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit reeds waren getroffen, kan niet worden beschouwd als een relevante wijziging van omstandigheden die behoort te leiden tot (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het bezwaar en herroeping van het primaire besluit op dat punt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voor het dagelijks bestuur geen aanleiding bestond de bezwaren van appellanten gedeeltelijk gegrond te verklaren.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient ten worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Langeveld ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Langeveld
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2000
251
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,