ECLI:NL:RVS:2001:AA9677
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J.R. Bakker
- R.H.L. Dallinga
- Rechtspraak.nl
Geen belanghebbende bij besluit dempen watergang met groenafval volgens Awb
Gedeputeerde Staten van Utrecht verleenden toestemming aan een maatschap voor het dempen van een watergang met onder meer groenafval. Appellanten, waaronder een compostbedrijf en een belangenvereniging voor verwerkingsbedrijven van organische reststoffen, maakten bezwaar en stelden beroep in tegen dit besluit.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellanten als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht konden worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat appellanten geen rechtstreeks belang hadden bij het besluit omdat hun belangen betrekking hebben op milieuregels, met name de Wet milieubeheer, terwijl het besluit gebaseerd is op een verordening gericht op natuur- en landschapsbescherming.
De Raad van State bevestigde dit oordeel en stelde vast dat het belang van appellanten zich richt op milieuvriendelijke verwerking van groenafval, wat niet op één lijn gesteld kan worden met de landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden die de verordening beschermt. Daarom zijn appellanten geen belanghebbenden en is het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellanten wordt ongegrond verklaard omdat zij geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit.