ECLI:NL:RVS:2001:AA9746
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Korthals Altes
- A. Kosto
- J.A.M. van Angeren
- Rechtspraak.nl
Beoordeling formele vereisten aanbieding Wet voorkeursrecht gemeenten
Appellant had bij brief van 21 september 1998 aan burgemeester en wethouders van Den Haag vragen gesteld en aangegeven te willen weten of de gemeente zijn perceel wenste aan te kopen. Burgemeester en wethouders beschouwden deze brief niet als een formele aanbieding in het kader van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg), mede omdat de brief niet aangetekend was verzonden zoals vereist in art. 7 van Pro het Besluit voorkeursrecht gemeenten (Bvg).
Appellant maakte bezwaar tegen deze beoordeling, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Raad van State bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de formele vereisten van art. 7 Bvg Pro, waaronder aangetekende brief of verzending tegen ontvangstbewijs, noodzakelijk zijn om de ernst van de aanbieding te onderstrepen en onzekerheid over termijnen te voorkomen.
De brief van appellant werd niet expliciet als aanbieding gepresenteerd en was feitelijk een verzoek om nadere informatie. Gezien de kennisgeving aan appellant over de formele eisen en zijn bijstand door een advocaat, mocht van hem worden verwacht dat hij zich aan deze eisen zou houden bij een serieuze aanbieding.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat eerdere arresten van de Hoge Raad niet vergelijkbaar zijn met deze casus. De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.